Note 5 — Vijfde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart5 er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna6, waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen: Dood aan hen, dood aan hen! Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.