Note 14 — Vijfde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi14 genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.