← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 33 — Achtste Dag. (continued 2)

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is … maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten33. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings