Note 14 — Achtste Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia14. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.