← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 17 — Achtste Dag. (continued 2)

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes17, die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel18, wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdat Buffalmacco er meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet.19 En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon de Vasten en een Lam Gods aan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem den Veldslag der Ratten en Katten geschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso20 en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola21 te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli22 aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren23, hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini24 kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa25 wilde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings