Note 8 — Eerste Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
De markies van Montferrat8, een man van grooten moed, een banierdrager der Kerk, was bij een kruistocht der Christenen over zee getrokken. Toen men aan het Hof van koning Philippus den Eenoogigen, die zich voorbereidde uit Frankrijk denzelfden tocht te maken, over zijn moed sprak, werd er door een ridder beweerd, dat er onder de sterren geen paar bestond gelijk aan dat van den markies en zijn vrouw. Want even als de markies onder de ridders om iedere deugd beroemd was, was de markiezin onder alle dames der wereld de schoonste en de waardigste. Deze woorden troffen den koning van Frankrijk zóó, dat hij zonder haar ooit te hebben gezien, haar dadelijk hartstochtelijk begon te beminnen en hij nam zich voor bij den kruistocht waar hij aan meedeed, nergens anders in zee te steken dan te Genua, opdat hij, door over land te gaan, een eerlijk voorwendsel had, om de markiezin noodzakelijk te zien. Hij overlegde in stilte, dat, als de markies er niet was, hij aan zijn begeerte kon voldoen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij ging na alle manschappen vooruit gestuurd te hebben met weinig volk en edellieden op weg en toen hij de landgoederen van den markies naderde, liet hij één dag te voren aan de donna berichten, dat zij hem den volgenden morgen aan het middagmaal moest verwachten. De edelvrouw, wijs en voorzichtig, antwoordde vriendelijk, dat dit een gunst was hooger dan ieder andere en dat hij welkom zou wezen. Zij dacht er over na, wat het beteekende, dat een koning, van zoo’n karakter, terwijl haar echtgenoot er niet was, haar kwam bezoeken. Het idee bedroog haar dan ook niet, dat haar schoonheid hem aantrok. Niettemin als een waardige vrouw was zij bereid hem te ontvangen. Zij had die goede mannen tot zich laten roepen, die achter gebleven waren volgens wier raad zij bij iedere gelegenheid orders liet geven, maar zij wilde de bevelen voor het gastmaal en de spijzen zelf geven. Zonder verwijl liet zij zooveel kippen als er in de streek maar te krijgen waren bijeen brengen en liet uitsluitend daarvan door de koks de verschillende gerechten voor het koningsmaal bereiden. De koning kwam dan ook op den bepaalden dag en werd met groote feestelijkheid en eer door de donna ontvangen. Zij scheen hem, terwijl hij haar aanschouwde schooner, waardiger en hoffelijker dan hij uit de woorden van de ridders had opgemaakt. Hij bewonderde haar uitermate en vleide haar zeer. Het wakkerde des te meer zijn begeerte aan, omdat hij vond, dat zij zijn vroegere voorstelling nog overtrof. Nadat hij eenige rust had genomen in de kamers, die versierd waren gelijk dit behoort om zulk een koning te ontvangen, zetten zich de vorst en de markiezin, toen het uur van het middagmaal geslagen had, aan een disch en de andere werden naar hun rang aan andere tafels onthaald. Daar de koning van vele spijzen bediend werd en van zeer goede en kostbare wijnen en hij bovendien telkens de zeer schoone markiezin aanzag, genoot hij buitengewoon. Maar toch toen het eene gerecht na het andere kwam, begon de koning zich te verbazen, toen hij gewaar werd, dat, hoe verscheiden die ook waren, zij toch uit niets anders bestonden dan kip.