← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 9 — Eerste Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Er leefde dan, o waarde jongelieden, nog niet lang geleden in onze stad een Minderbroeder9, Inquisiteur van kettersche misdaden, die alles deed om heilig te schijnen en een hechte liefde te koesteren voor het christelijk geloof. Maar hij onderzocht even goed wie een volle beurs had als wien hij verdacht van ongeloof. Daarnaar strevende trof hij toevallig een man aan, die rijker aan geld was dan aan verstand, en die, niet door gebrek aan geloof, maar misschien door wijn en overgroote vroolijkheid verhit, er toe kwam tot zijn dischgenooten botweg te zeggen, dat hij zulk een goeden wijn had als zelfs Christus nooit had gedronken. Dit gezegde werd den Inquisiteur overgebracht en deze wist, dat het vermogen van den schuldige zeer groot was. Met de grootste gestrengheid viel hij daarom op hem aan met het doel hem een vreeselijk proces op den hals te schuiven, niet zoozeer met het plan om zijn ongeloof bij het verhoor te verminderen als wel om diens florijnen in handen te krijgen. Hij liet hem roepen, en vroeg hem, of het waar was, wat hem ter ooren was gekomen. De goede man bekende en verklaarde zijn bedoeling. Hierop antwoordde de zeer heilige en vrome Inquisiteur van Sint Johannes Goudmond: Je hebt dus Christus voor een drinker uitgemaakt en een liefhebber van de heilige wijnen, alsof hij een Cinciglione10 was, zoo’n soort dronkelap en kroeglooper als jij. En nu wil je met ootmoedig praten beweren, dat dit niets beteekent. Het is niet zoo min als het jou schijnt, want je hebt er den brandstapel mee verdiend, indien we handelden naar onze plicht. Met deze en andere woorden en het gezicht van een strijder voor het geloof of die man Epicurus geweest was, welke onsterfelijkheid der zielen ontkent, sprak hij hem toe. In korten tijd joeg hij hem zulk een vrees aan, dat de brave man hem met een goede hoeveelheid der genademiddelen van Johannes Goudmond11 de handen wou zalven. Dit hielp veel voor de ziekte der hebzucht van de geestelijken en speciaal voor de Minderbroeders, die geen geld mogen aanraken, opdat hij barmhartig jegens hem te werk zou gaan. Die zalving, die zeer krachtig werkt, hoewel Galienus er nergens in zijn medische werken van spreekt, had zooveel invloed, dat de brandstapel door die genade verminderde tot het dragen van een kruisteeken.12 En alsof hij hem tot een kruistocht wilde noodzaken gaf hij hem om er mooier uit te zien een geel kruis op zijn zwart goed. Buitendien hield hij hem na het geld ontvangen te hebben, enkele dagen bij zich gevangen, en legde hem als straf op, dat hij elken morgen een mis in Santa Croce moest hooren en ’s middags bij hem moest komen. De rest van den dag kon hij doen, wat hij wou. Terwijl hij dit stipt deed, lette hij op een goeden morgen, bij een mis op een evangeliumtekst, waarin de volgende woorden werden gezongen: U zal honderdvoudig vergolden worden, en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden. Dit prentte hij stevig in het geheugen en naar het gegeven bevel op het uur van het tweede ontbijt bij den Inquisiteur gekomen, vond hij hem daar aan het middagmaal. Deze vroeg hem of hij dien morgen de mis had gehoord. Hij antwoordde daarop: Ja. Toen hernam de Inquisiteur: Hoorde je daarin niets, waaraan je zoudt twijfelen of waarover je iets wilde vragen? Heelemaal niet, hernam de brave kerel, aan niets wat ik hoorde, twijfel ik, en alles houd ik voor zeker en waar. Maar ik heb één ding gehoord, dat mij zeer groot medelijden heeft gegeven en zal geven met U en Uw andere broeders, toen ik dacht aan den slechten toestand, waarin gij hiernamaals komen zult. Toen sprak de Inquisiteur: Wat was het woord, dat Uw medelijden met ons opwekte? De goede man antwoordde: Monseigneur, het was dat woord van het Evangelium, dat zegt: U zal honderdvoudig vergolden worden en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden. De Inquisiteur zei: Dat is zoo, maar waardoor heeft dat woord U geroerd? Monseigneur, hernam de goede man, ik zal het U zeggen: sinds ik hier kom, heb ik elken dag buiten aan arme lieden, dan een, dan twee groote ketels met soep zien geven, welke men voor de broeders van dit klooster en voor U van te voren toch als overtollig ter zijde zet. Daarom, indien men voor elkeen er honderd hiernamaals U teruggeeft, dan zult gij er zooveel ontvangen, dat gij allen zult moeten verdrinken. Terwijl de anderen, die aan de tafel van den Inquisiteur zaten, allen moesten lachen, merkte deze, dat de soep-huichelarij gehekeld werd en verschoot geheel van kleur en als hij zich niet voor zichzelf geschaamd had, had hij hem een ander proces op den hals geschoven. Met die grap waren hij en de andere schelmen zóó geraakt, dat hij in zijn kwade bui hem beval weg te gaan en niet meer terug te komen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings