← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 11 — Achtste Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten11, die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings