← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 3 — Achtste Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder een salvum me fac3, terwijl hij het wenschte sine custodia,4 zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings