← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 8 — Achtste Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci8, door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings