Note 16 — Vijfde Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen. Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod16 vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan. Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.