← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 1 — Derde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna’s en de heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd door haar donna’s en de drie jongelingen en begeleid door den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, voor de zon anderhalf uur op was,1 naar een zeer schoon en rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens verlangend een weinig te rusten, gingen zij op een galerij zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen wierp die—ik weet niet of het door een kunstmatige of een natuurlijke ader was—door een beeld heen, dat op een zuil in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou zijn om een molen mee te bewegen. Dit water—dat de fontein deed overstroomen, als die vol was—verdween langs geheimen weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig nut voor den heer twee molens deed draaien. Het gezicht van dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien last opdroeg was Filostrato, die aldus begon:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings