← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 10 — Derde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10 een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de flagellanten11 behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings