← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 7 — Derde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den heiligen Gregorius7 leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings