← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 1 — Tiende Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Het is zeer zeker, (als men geloof kan hechten aan de woorden van eenige Genueezen en eenige anderen, die in die streken geweest zijn) dat er vroeger in zekere gedeelten van Cattajo1 een man leefde van edel geslacht en onvergelijkelijk rijk, Nathan, die een bezitting had bij een straatweg, waar noodzakelijk haast iedereen passeerde, die van het Westen naar den Levant of van het Oosten naar het Westen wilde gaan en daar hij grootmoedig en mild was en dit wilde toonen, liet hij er, daar hij over vele kunstenaars kon beschikken, in korten tijd het schoonste en rijkste paleis bouwen, dat ooit was aanschouwd en liet dit voorzien van al wat noodig was om edellieden te onthalen. Hij had een groot en schoon dienstpersoneel, en liet er met welwillendheid en eer elk, die kwam onthalen. Hij hield die lofwaardige gewoonte zóó vol, dat niet alleen het Oosten, maar ook heel het Westen hen door de faam kende. Toen hij al oud was, zonder dat zijn gulheid was verzwakt, bereikte zijn roem een jongeling Mithridanes uit een land niet ver van het zijne, die wetend, dat hij niet armer was dan Nathan, zoo jaloersch was geworden op zijn roem en zijn deugd, dat hij zich voornam die met grooter vrijgevigheid of te vernietigen of te overschaduwen. Na een paleis te hebben laten bouwen gelijk aan dat van Nathan begon hij de buitensporigste mildheid te betuigen aan ieder, die daar kwam en hij werd in korten tijd beroemd. Terwijl hij eens geheel alleen in den hof van zijn paleis was, vroeg een vrouwtje door een der poorten binnengetreden hem een aalmoes en ontving die en door een tweede poort weer bij hem gekomen, kreeg zij er nog een en zoo vervolgens twaalf maal maar de dertiende maal sprak Mithridanes; Vrouwtjelief, gij zijt niet vlug tevreden, maar niettemin gaf hij haar de aalmoes. Het oudje zeide: O milddadigheid van Nathan, wat zijt gij wonderbaar! Want ik werd nooit na door de twee en dertig poorten van zijn paleis te zijn binnengetreden en hem een aalmoes te hebben gevraagd door hem herkend, zóó dat hij het toonde, en kreeg die altijd en hier ben ik er nog geen dertien door gegaan of ik word herkend en berispt. Zonder terug te keeren ging zij heen. Mithridanes, die hoorde, dat de roem van Nathan den zijne verminderde, zei in woedende gramschap ontbrand: O ongeluk over mij! Wanneer zal ik de mildheid van Nathan in groote dingen bereiken, als ik hem zelfs nog niet in de kleinsten kan nabij komen? Waarlijk, ik vermoei mij tevergeefs, als ik hem niet van de wereld stuur, wat ik, daar de ouderdom hem niet weg voert, zonder twijfel met eigen handen zal moeten doen. Zonder zijn plan aan iemand mede te deelen en met weinig geleide te paard gestegen, kwam hij na drie dagen, waar Nathan woonde en na aan zijn metgezellen bevolen te hebben te doen of zij hem niet kenden, zeide hij hun een herberg te zoeken tot nader order. Hij trof tegen den avond alleen gebleven niet ver weg Nathan voor het schoone paleis, die zonder pronkkleed eenzaam wandelde. Daar hij hem niet kende, vroeg hij hem te zeggen, waar Nathan woonde. Nathan antwoordde blijmoedig: Mijn zoon, niemand in deze streek weet het U beter te zeggen dan ik en daarom zal ik U, als het U behaagt, er heen leiden. De jongeling zeide, dat dit hem zeer aangenaam zou zijn, maar dat hij zoo mogelijk door Nathan noch gezien noch gekend wilde worden. Nathan sprak toen: Dit zal ik doen, omdat U dat wilt. Toen Mithridanes was afgestegen, ging hij met Nathan in aangenaam gesprek naar diens prachtig paleis. Hier liet Nathan door een van zijn bedienden het paard van den jonkman vasthouden en fluisterde hem in, dat hij haastig aan allen in het paleis zou mededeelen, dat niemand aan den jongeling zou zeggen, dat hij zelf Nathan was. Hij liet Mithridanes in een zeer schoone kamer, waar niemand hem zag uitgezonderd zij, wien zijn bediening was opgedragen, liet hem prachtig onthalen, en hield hem zelf gezelschap. Terwijl Mithridanes bij hem bleef, vroeg hij hem toch, hoewel hij hem vaderlijk eerbiedigde, wie hij was. Nathan antwoordde: Ik ben een geringe dienaar van Nathan: ik ben van af mijn jeugd met hem oud geworden en hij gebruikte mij nooit voor iets anders dan voor wat gij ziet, zoodat, hoewel ieder ander hem zeer prijst, ik het slechts weinig kan doen. Deze woorden gaven aan Mithridanes hoop met meer overleg en sluwheid zijn verraderlijk plan uit te voeren. Nathan vroeg hem zeer beleefd, wie hij was en wat hem daarheen voerde en bood hem zijn raad en zijn hulp aan, waarin hij dit kon.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings