Note 24 — Zesde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien24 voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engel Gabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.