Note 6 — Zesde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius6, bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken7, die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.