← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 27 — Zesde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid het Confiteor op, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia27 en Ruffia28, zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna29, waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen30, waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden31 en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen32 zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht. Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messer Nonmiblasmete Sevoipiace33, den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligen Michaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings