← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 25 — Zesde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel van Altopascio25 mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco26 met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings