Note 1 — Zesde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta begonnen samen Troïlus en Crescida1 te zingen. En reeds was het uur om consistorium2 te houden weergekeerd, toen de koningin alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar de reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam.3 En ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten. Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.