Note 21 — Zesde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi21, messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.