← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 14 — Zesde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola14 een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend: Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben. Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings