Vijfde hoofdstuk.
Reading edition
Suriname gedurende Engeland’s overheersching. Van 1804 tot 1816.
Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn, indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand; velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.
Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben”, is het echter niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman, die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon met droefheid in het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil, en ook hierin moet worden verheerlijkt.
Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers, vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond, te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.
Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804–1816, dat der Engelsche overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw kunnen wij niet vermelden.
Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken: Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.
Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles, te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804, uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:
»Paramaribo 2 Mei 1804.
Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij niet of de nationale heldhaftigheid der Bataven, dan of wel de stoutmoedigheid der strijders van Albion dit plekje lands, door den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maar Een zal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde colonisten, oneindig veel bijdragen tot het coloniaal welzijn.”
Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens, het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig voegen naar de omstandigheden des tijds.
In diezelfde Courant van den 3den Mei 1804 vindt men een, dat den zelfden geest ademt:
»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing allengs te naderen.
De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan ’t lot dezer Colonie te twijfelen.—Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is, noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen, over onze schedels losgebarsten zijn.”
De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.
Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden, zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden, zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het corps, bekend onder den naam van witte en zwarte jagers, meer bepaald in dienst van de kolonie staande, zou met het Coloniaal Gouvernement behoorlijk schikkingen worden getroffen.
De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog, meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie, enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd als krijgsgevangene beschouwd.
Den 7den Mei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:
Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen, tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der Amerikaansche Coloniën van 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:
1o hij reeds, op den 13den Mei 1804, als krijgsgevangen was beschouwd en dus in alles had gedefungeerd;
2o gedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;
3o ontwaarde, dat het grootste gedeelte der soldaten dienst bij de Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te soldieeren, en eindelijk;
4o zeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige gunst hadden.”
Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren; terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij de Sociëteit van Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop immer een weigerend antwoord bekomen. De Sociëteit wilde dit verzoek niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo dit zelfs onder vele restrictiën werd toegegeven, de planters hiervan misbruik zouden maken. Toen door de finantiële moeijelijkheden, waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten voortaan aan hen moest geschieden.
Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven (zie bladz. 491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen Gouverneur aan, om den in- en uitvoer in Amerikaansche schepen geheel of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door Green gehoor verleend:
»Provisioneel voor den tijd van vier maanden wordt de invoer gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende, van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten, duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen, tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch, spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.
De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.
Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge de volgende proclamatie uit:
Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe; Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee, zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën, zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:
»Blenheim, Barbados den 20sten Julij 1804.
Sir!
Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen, die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den 3den October aanstaande, een oorlogsschip op de hoogte van Suriname zijn zal, om de na Europa gedestineerde koopvaardijschepen onder bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de bestemde verzamelplaats te vereenigen.”18
Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleende concessiën omtrent het handelsverkeer met Amerikaansche schepen; was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de veroverde kolonie behandelde;—dit alles nam niet weg, dat men toch nu en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was, ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen, voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der koopsom onder de Britsche militairen en matrozen, nemers der kolonie, werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren, dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:
»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten, zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER KOLONIE,” dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen ten huize van den heer Barry te Paramaribo en van den heer Bent te Barbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De verkooplijsten der carga’s van de schepen Pelicaan en Henriette Johanna liggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregat Proserpina en de oorlogssloep Pylades, het grof geschut met deszelfs toebehooren wordt in Engeland bepaald.
De plantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven. De gelden, die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft, zullen dadelijk, nadat ’s konings orders ten opzigte der evenredige verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke kennis zal gegeven worden.
get. J. Bent, Agent voor de armee, Th. Barry,
Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de vervulling van dezen wensch bleek verre van gemakkelijk te zijn. Als vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite zich de noodige inlichtingen te verschaffen.
Om kennis van den finantiëlen toestand, enz. te bekomen, vervoegde Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop, in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den oorsprong van het kaarten gelden der obligatiën mededeelde. Evenzeer waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel, over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen toestand der bevredigde Boschnegers en van die Boschnegers, die nog in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld, om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen, en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.
Het beheer over de finantiën was tweederlei. Een gedeelte stond onder onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.
De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten te zamengevoegd de zoogenaamde sociëteitskas uit. Na de omwenteling in 1795, toen de sociëteit werd vernietigd, moest hiervan verantwoording worden gedaan aan den Raad der Coloniën, het committé en hoe die verdere collegiën later genoemd werden, en kwam het overschot ten voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel dit aan de Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek, en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit: de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas (sovereyns-chest) of ’s konings-kas.
Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur, ruim ƒ 50,000.
Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er voorhanden eene som van ƒ 49,463.18
doch er moest daarentegen nog worden betaald:
tractementen ƒ 15,000.—
werklieden aan het fort Amsterdam ƒ,, 15,447.01
rekeningen voor idem ƒ,, 13,687.15
presenten aan de Indianen ƒ,, 10,000.—
somma ƒ 54,138.16
zoodat er een te kort was van ƒ 4,674.18.
De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde: Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot de burgerlijke administratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie, van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van ’s lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden, der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken, daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen kant, de, in die respective kassen ontstane, tekorten moest aanvullen.
Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in den loop des tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en van het corps Negerjagers.
Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der Modique lasten bedroeg het te kort ƒ 60,000.–; bij die ter verdediging tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim ƒ 100,000.– te kort.
Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een door de finantiële commissie uitgebragt rapport en vele discussiën stelde het Hof eindelijk voor:
1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder het gelag betalen);
2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer dan ƒ 20,000 bedroeg; en
Het eerste voorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11den Julij 1804 de publicatie daaromtrent uitgevaardigd:
Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie van Heshuijsen zeer belangrijk.
In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt geld door de sociëteit ingevoerd, doch dit verdween spoedig uit de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels, in blanco geëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren, konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen; maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.
Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of kaartengeld, met het kleine ’s landszegel voorzien, uit te geven, (zie bladz. 265–64.)
De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde de sociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij elke finantiële moeijelijkheid, er al zeer spoedig toe overging, om op die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij de komst der Engelschen voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs, met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.
Behalve dit was nog door Friderici voor ƒ 2,385,750 papieren geld in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie (zie bladz. 477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag van Friderici op de volgende wijze:
De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen, dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had, en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.
Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product, waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde, hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.
Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die van de suiker.
Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java, en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren, zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.
De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.
De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer 3,000,000—pond berekenen.
Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:
Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen, van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden, in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der Kolonie, naar het moederland.
Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit Holland, zoodat men genoodzaakt was de voor de Koloniën benoodigde artikelen duur van de vreemden te koopen.
Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers, nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard, waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit dat het niet tot het doel, om een geheel jaar te dragen geschikt was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven, doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste, uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.
Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.
Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd; eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen, beschreven.
De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde overeen. »Zeldzaam is het”, merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen.”—»Men beschouwt Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden, die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz.”
De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.
De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens uitvoerig medegedeeld—haar op te nemen zou slechts eene herhaling zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal Gouvernement waren, wordt opgegeven als:
Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers 150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de Coppename en Cassawina hielden.
Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne meesters ontvlugte slaven.
De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen, 700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers, 670 mannen, 630 vrouwen en 1200 kinderen, te zamen 2450 personen; Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg alzoo 5200 personen.
Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf, bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg met het Hof van Policie.
De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12den April te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene vergadering van het hof van Policie op den 18den dierzelfde maand, waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.
De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van 7 December 1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter, rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch, traan, lijn- en raapolie, kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge prijzen te bekomen.
En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet worden ontbeerd voor de slavenbevolking.
De traan was benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; de raap- en spermacetie-olie voor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd, de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep tot het wasschen van linnen, enz.
Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.
In naauw verband met het doel »geld te verdienen”, stond de telkens benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En hierin kwam weldra eene groote verandering.
De welsprekende stemmen van mannen als Wilberforce, Buxton en andere menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen; eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.
Het ligt niet in ons plan om hier eene geschiedenis van de afschaffing des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der slavernij in Britsch koloniën werd gevolgd, te schrijven; wij willen ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze maatregel in Suriname teweeg bragt.
Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over, of de slavenmagten alzoo moesten afnemen, zoo men door nieuwen invoer hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding tot gruwelen van allerlei aard.
Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten voor de overvallen en strooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd, dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid was nimmer getwijfeld.
Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt: »Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk.”
Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30 man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden—en dan wie wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van de post Armina bleef gegrond te zijn.
Een ander bezwaar was:
Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze met elkander verkeerden.
De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan, omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes, waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne strenge reglementen, zie bladz. 537, hadden zeker de gemoederen der slaven verbitterd).
De komst van Ds. van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte, daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe zij behooren. De vermeerdering van het personeel der Geneesheeren door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.
Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte, zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende Gouverneurs, bestaat zoo weinige officieele Correspondentie; daarom moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien niet geheel onpartijdig zijn.
Voor zoo veel wij uit officieele en andere stukken kunnen opmaken, komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk het welzijn van Suriname bedoelde.
Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld, vermeenen wij, dat buiten twijfel is.
Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte, omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.
Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman, Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen, voornamelijk onder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr, welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest; doch aan wien Hughes nog vóór zijn dood het huis had verboden, en de in 1807 ontslagen, doch sedert op nieuw aangestelde 2de Fiscaal (Lolkens.)
Maxwill deelde verder mede, dat hij stappen had gedaan, ter ontdekking van een complot tegen Z. M. Deputy-Commissaris-Generaal Alexander, in welk complot ook Bentinck was gewikkeld. Waarin dat complot bestond, verhaalde hij niet; maar wel weidde hij veel uit over zijne gevangenneming, en slechte behandeling in den vunzigen kerker van het fort Zeelandia.
De schuldenaars werden hierdoor tijdelijk uit hunnen druk verlost; doch bij velen was het nu, alsof zij geheel en voor altijd van het betalen hunner crediteuren vrij waren en—zij rigtten daarnaar hunne levenswijze en verteringen in en maakten weldra nieuwe schulden bij de Engelsche handelshuizen, die wederom voorschotten gaven en wel in ruime mate.
Men baadde zich in overdaad; de verkwisting van sommige kolonisten kende geen palen; »waarom zou men zuinig zijn?” redeneerden velen: »men had nu geld genoeg; want men behoefde geene remises naar Nederland te doen, en Engeland gaf hooge voorschotten.”
Zoo redeneerden velen en handelden dien overeenkomstig; zoo leefde men in begoocheling voort en bedacht niet, dat de in Holland opgenomen gelden, door de jaarlijksche renten aanmerkelijk grooter werden.
In Suriname leefden velen volgens het ligtzinnig beginsel »après nous le déluge” zorgeloos voort, en thans vermeenden zij dit te meer te kunnen doen, daar de landbouw niet achteruit ging; want was wel door de wet op de afschaffing des slavenhandels de invoer van slaven verboden, ter sluiks werden genoegzaam negers ingevoerd; men behoefde dus hunne krachten niet te sparen en de handel zelfs bloeide.
Ook bestond er vrij algemeen eene goede gezindheid der Engelschen jegens de Surinaamsche burgers. Tot bewijs daarvan strekt o. a., dat de Engelsche officieren tooneelstukken in het gebouw van het tooneelgezelschap der Joden, de verrezene Phoenix, opvoerden, en de opbrengst van dergelijke voorstellingen, bezigden, om personen, die voor schulden in de gevangenis zaten, uit hunnen kerker te verlossen. Dit doel werd bij de aankondiging der te geven stukken, bepaaldelijk uitgedrukt, en de voorstellingen werden druk bezocht, zoodat menigeen de weldadige vruchten daarvan heeft gesmaakt.
De Joden echter werden in den Engelschen tijd vernederd en achteruit gezet. Zij mogten geene openbare bedieningen waarnemen; ten minste zij werden er niet toe geroepen.
Won Bentinck door dergelijke mildheid de liefde der Surinamers, nog meer steeg zijn aanzien bij hen door het volgende:
Bentinck beging hier, geheel ter goeder trouw, eene groote onvoorzigtigheid; want toen men die toezegging had, bekommerde men er zich niet meer over, hoeveel het onderhoud meer zou kosten. Ruw werd er met de gelden omgesprongen en alzoo werden de kosten, in het jaar 1811, tot ongeveer ƒ 1,200,000 opgevoerd. Dit alles kwam echter eerst na den dood van Bentinck aan het licht.
De Majoor-Generaal Pinson Bonham aanvaardde voorloopig het bewind, en werd 30 Mei 1812 definitief tot Gouverneur van Suriname benoemd.
Bonham was een geheel ander man dan Bentinck. Was Bentinck een goed doch tevens een zwak man, die zich te veel door anderen leiden liet; Bonham daarentegen bezat kracht, zelfstandigheid en energie. Met een vaste hand greep hij de teugels van het bestuur en ontzag niemand, waar hij vermeende dat zijn pligt hem gebood. Hij vond een verwarden stand van zaken in Suriname; hij wenschte dien te verbeteren èn orde èn regel in de verschillende takken van bestuur te doen heerschen. Dit echter was een moeijelijk werk; de tegenstand, dien hij daarbij ondervond, maakte hem soms bitter, en hooghartige trots deed hem soms de vereischte matiging uit het oog verliezen. Bonham was streng regtvaardig; hij bezat evenwel een medelijdend hart; want geen der vorige Gouverneurs trok zich het lot der arme slaven zoo krachtig aan, als Bonham. Wij zullen hem nu handelend zien optreden en onthouden ons van verdere aanmerkingen.
Al spoedig zag hij, dat men zijn voorganger met slechten raad gediend had, waarop hij onmiddellijk de voornaamste raadgevers van Bentinck, als: De Reus, Raad Fiscaal, en H. L. Meynertzhagen, Raad Boekhouder-Generaal, uit hunne functien ontsloeg en de heeren Egbert Veldwijk en Andrew Melville provisioneel in hunne plaats aanstelde.
Bonham ontdekte verder, dat bij ieder departement eene onbeschrijfelijke wanorde heerschte; bijna zoude men zeggen, dat de kolonie in staat van bankroet was; de wisselkoers voor een pond sterling bedroeg ƒ 45 en zoo was alles naar evenredigheid. Dit moest anders worden. Vooral was men ten opzigte van de uitgaven voor het vrijcorps op ruwe en verkwistende wijze te werk gegaan. De administratie was op een veel te omslagtigen en kostbaren voet ingerigt. Twee en zestig personen waren voor een corps, dat slechts 380 man bedroeg, in onderscheidene betrekkingen geëmploijeerd en genoten bezoldiging; de Reus alleen ontving als Commissaris jaarlijks ƒ 30,000. En dan de wijze van administratie! Door de Reus was met zekeren Cairstairs een contract aangegaan, tot levering van voedingsmiddelen voor genoemd corps, voor drie maanden a ƒ 200,000; bij een ander contract was daarenboven aanbesteed: het leveren van rum en zoutevisch, mede voor drie maanden, voor ƒ 100,000. Bentinck had te ligtvaardig contracten goedgekeurd, waardoor de kosten tot onderhoud van het vrijcorps, meer zou hebben bedragen dan de inkomsten der koloniale en souvereins-kassen te zamen.
Kende Bonham nu den stand der zaken, hij was ook ijverig bedacht om hierin verbetering te brengen en dit zonder tot het anders zoo gewone middel, het maken van nieuw kaarten geld, zijne toevlugt te nemen. In vereeniging met het Hof voerde hij een betere heffing van de onderscheidene belastingen in; vele onregelmatigheden hielden hierdoor op en de gewone belastingen bragten nu veel meer op. Verder maakte hij het den onderscheiden ambtenaren tot pligt, om in al hunne administratiën eene behoorlijke zuinigheid in acht te nemen; en zoo nam Bonham voor, de evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen.
Dit voornemen werd met ijver en energie ten uitvoer gelegd, en de uitkomst bekroonde de verwachting. Reeds in Julij 1813 kon Bonham aan het Britsch-Gouvernement berigten, dat, bij het einde van 1812, het deficit in de koloniale kas, groot ƒ 335,950.15, geheel gedekt was; dat er bovendien in de eerste negen maanden, meer dan ƒ 1,000,000 betaald was, wegens schulden, tijdens het driejarig bestuur van Bentinck gemaakt en onbetaald gebleven; en eindelijk, dat er nu, in plaats van een tekort in de kas, een saldo aanwezig was van ƒ 99,180.16.1½. Omtrent het vrijcorps meldde hij, dat de uitgaven voor hetzelve in de jaren 1809, 10 en 11, ƒ 490,000 meer beliepen dan de door het Hof hiervoor gestelde som van ƒ 600,000; en dit aanmerkelijk te kort door de souvereins-kas was gedekt; dat die uitgaven, zoo de contracten door de Reus met Cairstairs en anderen gesloten, waren nageleefd, in 1812 nog oneindig veel grooter zouden zijn geweest; terwijl zij thans door zijne bezuinigings-maatregelen, nog ƒ 821.13 minder dan de door het hof toegestane som van ƒ 600,000 hadden bedragen; zoodat uit de souvereinskas hiertoe geen penning behoefde bijbetaald te worden.
De finantiën werden gedurende het bewind van Bonham geregeld en ordelijk bestuurd; onnoodige uitgaven vermeden en verkwisting tegen gegaan. Uit ’s konings kas werden van tijd tot tijd aanzienlijke sommen naar het Britsch Gouvernement overgemaakt; in de koloniale fondsen heerschte evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven; en er werd geen nieuw kaartengeld uitgegeven; integendeel in 1814 werd voor ƒ 150,000 vernietigd. Het vertrouwen herleefde en de wisselkoers, die in 1811 eindelijk tot ƒ 48,10 voor een pond sterling gestegen was, daalde in korten tijd tot ƒ 25.
Het predikambt werd bij de Hervormde gemeente bekleed door Ds. P. van Esch; bij de Luthersche door Ds. J. Koops en de kerkelijke diensten bij de Roomsch Catholieken waargenomen door een pastoor wiens naam niet genoemd wordt. Ds. van Esch ontving uit de koloniale kas ƒ 1700, uit de souvereinskas ƒ 5000; Ds. J. Koops uit eerstgenoemde ƒ 500, uit de tweede ƒ 500; de R. C. pastoor ontving van zijne gemeente ongeveer ƒ 12,000.
Was Bonham streng regtvaardig, hij bezat echter, zoo als wij reeds vroeger hebben aangemerkt, een medelijdend hart en trok zich het lot der verdrukte slaven aan. Telkens vindt men hiervan het bewijs in zijne uitspraken aan de Britsche regering. Hij was verontwaardigd over de wreede wijze, waarop sommige kolonisten jegens hunne slaven te werk gingen.
»Een iegelijk word hiermede gewaarschuwd van geen slaven in het binnen-fort (Zeelandia) te zenden, om gestraft te worden, zonder een schriftelijke aanklagt van de misdaad aan welke dezelve zich hebben schuldig gemaakt, aan de cipier over te geven, welke niet verpligt zal zijn, een eenige slaaf onder zijne bewaring te nemen, zonder zulk een getuigschrift.
Ook andere maatregelen door Bonham omtrent deze aangelegenheid genomen, getuigen van zijne goede gezindheid jegens de slaven; hij ontzag ook niet hen, die hoog in staat waren en tot de zoogenaamde aanzienlijken van Suriname behoorden, te doen vervolgen en straffen; zoo het hem bekend werd, dat zij hunne slaven mishandelden.
Werden de pogingen van Bonham, om mishandeling der slaven te keeren, geweldig tegengewerkt, nog meer tegenwerking ondervond zijn streven, om de regten der afwezige crediteuren te handhaven. Dit vooral deed velen vijandig tegen hem worden en beroerden de gemoederen van velen in Suriname.
Het Britsch Gouvernement keurde dezen voorslag goed en regtmatig, en benoemde, den 12den Maart 1813, tot het houden dier contrôle zekeren heer John Bent, die daarop den 15den Mei 1813 in Suriname arriveerde.
Denzelfden dag van Bents aankomst, maakte Bonham de Proclamatie op, die twee dagen daarna werd uitgevaardigd, waarbij de bevoegdheid van Bent en de verpligtingen der representanten van de afwezige erfgenamen werden beschreven. Die Proclamatie luidde o. a. aldus:
»Aan zijde van de kroon is de ontvanger en bestierder (John Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal de afscheping en consignementen van alle, en iegelijk specie van Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat al zulke producten zullen worden geconsigneerd, aan de respectieve Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld, voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires; en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd, aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard, en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:
“Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit hebben gefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van de Plantagiën te bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder den heer John Bent, alvorens daartoe te hebben verkregen; terwijl het duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid, altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels, en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.
De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd, om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen de eerste week van iedere maand, een exacte Duplicaat-Maandlijst, volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën vereischt mogen worden, moetende dezelve op ’t zelve tijdstip, en met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden, als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.
Naauwelijks was die proclamatie uitgevaardigd, of er verhief zich eene sterke oppositie tegen het opdragen van eene zoo groote magt aan den ontvanger en bestierder. De Administrateuren van plantaadjes (eigenaars bevinden zich weinig in Suriname) vermeenden door dezen maatregel, in hunne regten gekrenkt, in hunne belangen verkort en in hunne magt en aanzien besnoeid te worden; deze personen en eenige kooplieden, wiens belangen met die der Administrateuren overeenkwamen, stelden er zich dadelijk ten sterkste tegen.
Weldra circuleerde in de kolonie eene petitie, die door Bonham »een oproerig geschrift” werd genoemd, tegen dezen maatregel ter onderteekening. Die petitie was opgesteld door de heeren Vlier en de Rives, regtsgeleerden, van wie het, (altijd volgens Bonham) wel bekend was, dat zij vroeger tot de Jacobijnsche partij in Suriname hadden behoord. Bonham verbood de verdere circulatie van dat geschrift; hij eischte het van Vlier terug, en beval, dat de beide opstellers, Vlier en en de Rives, binnen tien dagen, ieder eene borgtogt van ƒ 10,000 zouden stellen, ter verzekering van hun verder rustig gedrag als goedgezinde onderdanen; terwijl zij, bij gebreke daarvan, uit de kolonie zouden verwijderd worden.
Die gestrengheid bereikte echter het daarmede beoogde doel niet. Door sommige lieden in de kolonie werd desniettegenstaande de afkeer tegen Bents commissie luide verkondigd, en men liet niet na, allerlei ongunstige gevolgtrekkingen daaruit op te maken en valsche geruchten (the most scandalous falsehoods) omtrent dezelve te verspreiden, zoodat vele weigerachtig bleven, om de verlangde opening aan Bent te doen.
Ook in het Hof van Policie, welks leden voor het grootste gedeelte uit Administrateuren bestonden, openbaarde zich een heftige geest van tegenstand. Het Hof leverde aan Bonham eene remonstrantie in, waarbij de verklaring werd afgelegd, dat de proclamatie van 15 Mei de grootste consternatie had verwekt, zoo wegens deszelfs onmiddellijk effect en de schorsing van alle bezigheden, daardoor veroorzaakt, als wegens de onbepaalde uitgebreidheid der magt, die hierbij aan John Bent werd verleend. Men vroeg dus nadere uitlegging omtrent die magt, en verzocht aan den Gouverneur om, terwijl zij zich over deze commissie, aan Z. K. H. den Prins Regent zouden wenden, voorloopig de Commissie van John Bent te schorsen. Bonham antwoordde hierop, 1o. dat hij zich niet gehouden achtte, om aan het Hof als zoodanig, een nadere verklaring te geven; doch dat hij en John Bent, als particulieren, bereid waren alle mogelijke inlichtingen te verleenen; en 2o. dat hij niet geregtigd was, om duidelijke en stellige bevelen van Z. K. H. den Prins-Regent te wederstreven.
De leden van het Hof bleven echter bij hunne, reeds bekend gemaakte gevoelens, volharden; en zij verlangden eene buitengewone vergadering te houden, om nader over deze zaak te discussiëren. Die vergadering, gehouden 31 Mei 1813, was zeer onstuimig. Dezelfde vragen over en vertoogen tegen Bents commissie werden door de leden gedaan en door Bonham op dezelfde korte en bondige, doch tevens wel eenigermate hooghartige wijze beantwoord. Eindelijk zeide een der leden, de heer Halfhide (vroeger horologiemaker te Londen) op beleedigenden toon: »Ik geloof, dat de Prins-Regent deze kolonie wenscht te ruïneeren.” Bonham vatte hierop vuur en antwoordde: »De Prins-Regent wenscht zulke dingen niet, maar gij, hoe durft gij eene dergelijke aanmerking in mijne tegenwoordigheid maken; ik zou u deswege wel kunnen schorsen.” Halfhide sprak nu op uittartenden toon: »Gij wilt mij schorsen? Ik wil niet geschorst worden en ik hoop dat het Hof mij in mijn verzet hiertegen ondersteunen zal.” Bonham beantwoordde deze uittarting door te zeggen: »Nu mijnheer, gij zijt geschorscht, ik schors u.” Halfhide geheel door drift overheerd, riep toen op eene alles te bovengaande beleedigende wijze: »Dan moogt gij uwe soldaten wel zenden, om mij in het fort te plakken, zoo gij durft. Ik wil niet geschorst worden.” Bonham trok aan de bel en sloot de vergadering.
Bonham die volstrekt de man niet was, om slechts door woorden te dreigen, maar die van handelen hield, schreef, te huis gekomen, onmiddellijk het bevel tot schorsing van Halfhide en zond het hem te huis. Halfhide die begreep dat hij te ver gegaan was, verzocht den Gouverneur om een mondeling onderhoud, doch dit werd hem geweigerd.
Deze begeerte en bedoeling van de Britsche regering met Bents commissie, werden echter verhinderd, èn door de heftige tegenstand tegen die commissie èn welligt ook eenigermate door de heftigheid, waarmede Bonham dien tegenstand zocht te onderdrukken.
Bonham, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan, vaardigde den 2den Junij 1813 eene nieuwe proclamatie uit:
Velen bleven achterlijk in de verpligte inzending van maandstaten der plantaadjes, zie proclamatie 15 Mei, aan John Bent, die daarom den 26sten Augustus 1813, de navolgende annonce deed:
»Daar verscheidene Directeuren van Plantagiën, onder de vereenigde administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil van Zijne Excellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21sten Junij 1813, nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden, zoo wordt aan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den 15den dag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen, in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,—en de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen onderworpen zijn.
(get.) Joh. Bent, Ontvanger en Bestierder.”
Als voorname bezwaren tegen Bents commissie werden opgenoemd: 1o. zijne groote bezoldiging, die op 30,000 pond sterling ’s jaars werd begroot; 2o. dat één man een zoo uitgebreide administratie niet behoorlijk kon voeren; 3o. dat er eene hardheid in lag voor sommige Londensche huizen hunne consignatiën te verliezen; en 4o. dat de verleiding voor Bent om gunsten te verleenen, te groot was.
Bent wederlegde die bezwaren in een brief, waarvan een extract door Bonham aan het Departement van kolonie werd gezonden. Op het eerste bezwaar, omtrent de te hooge bezoldiging, antwoordde Bent, dat dezelve niet zoo hoog was, als men veronderstelde; het zou veel wezen indien zijn inkomen 15,000 pond sterling bedroeg, en daarvan moest hij een dozijn klerken, een groot etablissement onderhouden. Wat het tweede bezwaar, de veronderstelde onmogelijkheid om zulk eene uitgebreide administratie alleen te houden betrof, toonde hij aan, dat die uitgebreidheid meer scheen, dan ze inderdaad was. Het geheele bestier der verhypothekeerde plantaadjes werd uitgeoefend door zeven of acht hoofdadministrateurs, die als het ware de geheele kolonie in bezit hadden; de verdere administrateurs waren het niet veel meer dan in naam en hun werkkring was tot het huishoudelijk bestuur der plantaadjes beperkt; op deze wijze werd reeds het toezigt over het geheel gemakkelijk gemaakt en verder, bij vermeerdering van werkzaamheden, vermeerderde Bent eenvoudig het aantal zijner klerken. Over het derde bezwaar, de onbillijkheid, dat sommige Londensche huizen hunne consignatiën door zijne commissie verloren, was hij zeer kort en merkte slechts aan, dat niemand, die eerlijk handelde door zijne commissie zou worden benadeeld en omtrent het vierde, de verzoeking om gunsten te verleenen, was genoeg waarborg te vinden, behalve in de bekende eerlijkheid van zijn karakter, in de omstandigheid, dat zijne mede-administrateuren, die hem zeer vijandig waren gezind, met arendsoogen zijne gangen nagingen en hem bij de geringste aanleiding hiertoe heftig zouden beschuldigen.
In dienzelfden brief deelt Bent mede, hoe de plantaadjes in Suriname onder hypothecair verband waren gekomen, hoe de bestuurders dier Fondsen in Holland, de administrateurs in Suriname benoemden; doch dat alles hebben ook wij reeds vroeger in de geschiedenis behandeld.
Verder beschrijft hij de wijze waarop door de gemagtigden (de administrateuren) de zaken werden bestierd. Het oordeel van Bent hierover is zeer ongunstig. Als een klein bewijs hoe de handelwijze dier heeren nadeelig voor de crediteuren was, verhaalt hij, dat van sommige inwoners, die hunne goederen aan personen in Holland bij erfenis vermaakt hadden, niet slechts de plantaadjes onder beheer der administrateurs bleven, maar dat dezen zelfs de getesteerde gelden in handen hielden, terwijl tegen deze handelingen niets was te doen; ook geen processen hielpen hiertegen, want daar de geregtshoven in Suriname grootendeels uit administrateuren bestonden, was hiervan geen regt tegen lieden van hunne soort te wachten.
Van de directeurs der plantaadjes getuigt Bent, dat zij een soort van dronken lieden waren, die de slaven allerwreedaardigst behandelden; zoodat het zeer noodzakelijk was, dat het Gouvernement zich het lot dier armen aantrok. »In geen deel der wereld,” dus besluit hij zijnen brief, »hebben zoo vele misbruiken van allerlei aard plaats, als hier.”
Bent begeerde die misbruiken te keer te gaan en daartegen doortastend te handelen. Het schijnt o. a., dat er kwade trouw plaats gehad heeft bij het aankoopen van benoodigdheden voor de plantaadjes, want den 14den October 1813, deed hij de navolgende aankondiging:
»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste maandlijsten wegens gedane leverantiën, ten behoeve van sommige plantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest, ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn, om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder Articul dat gerequireerd werd.
Om alle mogelijke knoeijerijen bij den verkoop der producten tegen te gaan, werd door Bonham besloten, die voortaan publiek te doen plaats hebben; waartoe hij 11 December 1813 de volgende proclamatie uitvaardigde:
»Naardemaal in aanziening van onze proclamatie de dato 21 Junij 1813, als ook die van vroegere datum, waarbij de pligten van den ontvanger en bestierder, aan zijde van de kroon, als mede van de administrateuren, aan zijde van de afwezige eigenaren zijn werden gedetailleerd, het aan ons als oirbaar is voorgesteld, om met de tot dusverre gebruikelijke wijze van het uit de hand verkoopen van producten, gepercipieerd op de plantagiën onderhevig aan de commissie van den ontvanger en bestierder, te doen veranderen, in een publieke verkoop, bij advertissementen en inschrijvingen.
Zoo lasten en bevelen wij bij dezen, dat de voormelde wijze onverwijld zal worden aangenomen, en, ten einde hetzelve onmiddellijk effect te doen sorteren, zoo worden de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, ontboden om aan den gemelden ontvanger en bestierder, lijsten in te zenden, van zoodanige quantiteiten en qualiteiten van producten, waarvan de verkoop noodzakelijk zijn mag ter betaling van de binnenlandsche onkosten; ten einde hij tot den verkoop derzelve, de noodige advertentie kan doen, tegen zoodanige tijdstippen, als voor de belangens van de kroon meest raadzaam en voordeelig moge geoordeeld worden, werdende den gemelden ontvanger en bestierder hiermede gelast, om alle inschrijvingen, welke ingevolge zijne advertissementen mogen gedaan worden, in onze tegenwoordigheid te openen, wanneer de, voor de respectieve eigendommen, voordeeligste aanbiedingen, mits geapprobeerd zijnde, zullen worden aangenomen.
Ende wij waarschuwen op de ernstigste wijze hiermede, alle de vreedzame en welgezinde ingezetenen dezer kolonie, tegen de arglistigheden van zekere lieden, die trachtende zijn, om twijfelingen en angstvalligheden in de gemoederen van het algemeen te prenten, en wij gelasten insgelijks mits dezen, dat, bij aldien er wegens den inhoud van onze proclamatie de dato 21 Junij of van eenige ander onzer proclamatiën of notificatiën eenig onderscheid van gevoelen mogt ontstaan, ten aanzien van de magt, en de pligten van den gemelden ontvanger en bestierder, en van de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, de gemelde partijen of wie het ook zij, die zichzelve beschouwen, als te zijn aangedaan, buiten de bedoeling van onze onderscheidene beschikkingen, derzelver respectieve gevallen, aan ons zullen overlaten, als het opperhoofd dezer kolonie, om door ons dadelijk te worden geredresseerd of geëxpliceerd.
En opdat niemand van deze onze proclamatie eenige ignorantie zouden pretendeeren, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd, ter gewoonlijke plaatsen, en van plantagie tot plantagie worden rondgezonden.
Gegeven aan het Gouvernementshuis in de kolonie Suriname, dezer den 11den dag van December 1813, en in het 54ste jaar van Zijne Majesteits regering.
Ten gevolge van het besluit in deze proclamatie bekend gemaakt, deed John Bent, den 21sten Dec. 1813 deze advertentie:
»Wordt hiermede bekend gemaakt, dat er te dezen comptoire inschrijvingen zullen ontvangen worden, voor de verkooping van zekere gedeelten van suiker, koffij en catoen der voortbrengsels of producten van de onderscheidene plantagiën, onder de jurisdictie van den ontvanger en bestierders-commissie, tot aanstaande Dingsdag den 28sten dezer, ’s morgens ten elf uren, wanneer dezelve zullen geopend worden, in tegenwoordigheid van Zijn Excellentie den Gouverneur (en dezulken welke goedgekeurd zijn) zullen worden aangenomen. Monsters van de koffij en catoen kunnen ten dezen comptoire gezien worden. De betaling moet ten dezen comptoire geschieden, al vorens de order tot aflevering der producten gegeven wordt, en het oxhoofd suiker zal gecalculeerd worden op 1100 Pds. netto, tot dat men van het gewigt verzekerd is, wanneer de geheele afrekening zal geschieden, en bij gebreken van zulke betaling binnen acht en veertig uren na de opening der inschrijvingen, zal de koop van nul en geener waarde gerekend worden.
Ten einde de administratie geregeld te kunnen houden, vroeg John Bent tijdig de rekeningen op, om ze te kunnen verifieeren, enz.
Dat men in alles nog al nalatig bleef de orders van Bent op te volgen, blijkt ook uit de volgende annonce:
De kolonisten zochten sommige Engelsche kooplieden tot bevordering hunner belangen over te halen en dit gelukte hun.
Tegenover dit ongunstig getuigenis van Surinaamsche administrateurs staat dat der door de Regering benoemde commissarissen Fagel en Penn, in een brief dato 29 November 1813 aan George Hamilton, Esq. omtrent Bents commissie afgelegd.
Deze heeren toch verklaarden, dat hun uit de ontvangen stukken en statistieke opgaven enz. duidelijk bleek, dat John Bent met ijver en naauwgezetheid zijn pligt vervulde. De door hem ingeleverde staten waren in behoorlijke orde en muntten door naauwkeurigheid uit. Men verkreeg ook daardoor een goed overzigt over den toestand der cultuur, enz.
De suiker-plantaadjes bleven zich goed staande houden, doch de koffij-plantaadjes vervielen, vooral was het lot der slaven op de laatsten zeer beklagenswaardig, want zij werden er geheel verwaarloosd.
Had de oppositie in Suriname schijnbaar eenigen tijd gerust; weldra verhief zij zich tot eene onrustbarende hoogte. Het volgende geval was hiertoe de voornaamste aanleiding:
De balansen en de gelden, behoorende aan twee boedels, namelijk van de overledene F. Gomarus groot ƒ 170,784:10—3 en van P. Bloeddoorn groot ƒ 27.000 berustten onder het bestuur der weeskamer. Bent vermeende dat deze balansen en gelden mede onder zijn bestier moesten worden gebragt; hij schreef er Bonham over, die zijne overtuiging deelde en daarom aan het bestuur der weeskamer schreef, om die balansen en gelden aan Bent over te dragen. Bonham wachtte vier maanden te vergeefs op antwoord; den 3den Januarij 1814 rigtte hij zich op nieuw per missive tot bedoeld bestuur en eischtte de overgave van papieren en gelden aan John Bent.
Het bestuur der weeskamer was van gevoelen, dat die overgave, door hen niet kon geschieden, zonder eene finale kwijting en decharge van de erfgenamen, aan wie het vervolgens te beslissen stond, of zij de gelden al of niet aan Bent wilden overgeven, zoodat bestuurderen der weeskamer niet aan het verlangen van den Gouverneur konden voldoen, daar zij niet tegen hunnen eed en tegen de wetten der kolonie vermogten te handelen. Bonham antwoordde kortelijk, dat hij met hunne redenering niets te maken had, maar dat hij begeerde gehoorzaamd te worden. De leden van het bestuur der weeskamer bleven echter bij hunne weigering volharden. Die weigering was onderteekend door C. G. Veldwijk, Raad-Fiscaal, J. Lolkens, 2de fiscaal, A. Melville, Raad-Boekhouder-Generaal en verder door M. J. Schüster, D. Rochetan en H. L. Pierre Gentil.
De strenge maatregelen troffen echter geen doel.
In Europa waren intusschen belangrijke gebeurtenissen voorgevallen: Napoleon was genoodzaakt geworden Frankrijk’s troon te verlaten en zich met de souvereiniteit van het eiland Elba te vergenoegen; de volkeren, die een zoo geruimen tijd onder het juk des Franschen heerschers hadden gezucht, erlangden hunne vrijheid weder en ook Nederland herkreeg zijn volksbestaan.
Deze groote gebeurtenissen oefenden mede invloed uit op de verdere handelwijze der Britsche regering in Suriname.
Daar de Britsche regering begreep, dat haar bewind over Suriname waarschijnlijk van korten duur zou wezen, wilde zij een maatregel, dien zij voornamelijk in het belang der crediteuren had genomen, doch die zoo veel tegenkanting in de kolonie ondervond, niet langer doorzetten, en zij besloot de commissie van Bent op te heffen.
Bonham gaf bij proclamatie van 8 Junij 1814, daarvan den volke kennis:
»Naardien Zijne Majesteits minister ons door de paquet, hebben gecommuniceerd, dat het Zijne Majesteit had behaagd, uit aanmerking van de »groote gebeurtenissen onlangs in Europa voorgevallen,” om de commissie van den ontvanger en bestierder van eigendommen van afwezigen op te schorten, met last op gezegde ontvanger en bestierder der eigendommen welke hij, uit krachte van voorschreven commissie onder zijn bestier mogte hebben, weder over te geven. Zoo gelasten en beveelen wij bij deezen allen en een iegelijk dewelke ter zaake voorsz. met gezegden ontvanger en bestierder, de mede-administratie hebben, of wie zulks anders zoude mogen aangaan, zich ter zijnen kantore te vervoegen, ten einde hunne respectieve rekeningen zoo spoedig mogelijk te vereffenen, opdat de verder aan hem gegevene beveelen, ten volle kunnen worden gehoorzaamd, zullende op vertooning van zijn certificaat ter gouvernements secretarye, dat die vereischtens nagekomen zijn, de sequestratie van alle zulke eigendommen dadelijk ontheven worden.
En opdat niemand, van deze onze proclamatie eenige onkunde zoude kunnen voorgeven, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd ter gewoone plaatse, en van plantagie tot plantagie rondgezonden.
Gegeven te Gouvernementshuize in de kolonie Suriname, deze den 8ste Junij 1814, en in het 54ste jaar Zijner Majesteits regering.
Bonham ontving eene berisping van zijn gouvernement over zijn gedrag en werd op nieuw aanbevolen om op verzoenende wijze te werk te gaan. Hij antwoordde daarop en verdedigde zijn gehouden gedrag in een brief aan lord Bathurst dato 12 Junij 1814. Hij betuigde in dien brief, dat gestrengheid niet in zijn karakter lag; dat hij niets liever wenschte dan met ieder in vrede te leven; doch, dat de vervulling van zijn pligt jegens de Souverein hem hooger ging. Die pligt schreef hem voor: ’s Konings bevelen te doen gehoorzamen, en hoewel hij de wetten der kolonie in ernst wilde handhaven, had hij zich soms in de noodzakelijkheid bevonden, om die wetten ter zijde te stellen, daar ze de uitvoering van ’s Konings bevelen onmogelijk maakten en tot eene doode letter zouden hebben verlaagd. Hij had veel goeds van Bents commissie verwacht, en ze daarom krachtdadig bevorderd; maar had hierbij tevens zoo veel tegenstand ondervonden, dat het leven hem sints dien tijd, met regt moeijelijk was gemaakt; zelf was hij genoodzaakt geworden, om personen, die dagelijks aan zijne tafel aten, het huis te ontzeggen; hoe hij belasterd en beleedigd was zou Bent, die den 18den Julij uit Suriname naar Engeland zou vertrekken, den minister kunnen mede deelen.
Wat de zaak omtrent de Weeskamer betrof, verklaarde hij, lang geduld te hebben geoefend; maar daar men steeds in het geheim beraadslaagde en de geheele toeleg van het bestuur was om onder een schoonschijnend voorwendsel, Bents commissie tegen te werken, was hij tot het nemen van krachtige maatregelen genoodzaakt geworden. Hij erkende, dat hij nu en dan wel een hoogen toon had gebezigd, die ongetwijfeld in Engeland zelf ongerijmd ware geweest, »maar” zoo vervolgt hij: »de lieden hier zijn zoo onwetend en tevens zoo hardnekkig, dat zij, zelfs voor hun eigen welzijn, in toom moeten worden gehouden (the people here, who are very ignorant, proverbially obstinate and must be driven in to measures, even for their own benefit). Bonham zou echter, volgens verlangen van den minister, toegeven waar dit eenigzins mogelijk was.
Deze hier bedoelde beleediging bestond daarin, dat toen Taunay op nieuw in het Hof was toegelaten, hij daar volhield, dat hij vroeger goed had gehandeld en onwettig geschorst was. Bonham achtte deze stijfhoofdigheid eene beleediging hem als Gouverneur aangedaan, en de zaak werd mede door het Hof alzoo beschouwd en Taunay in staat van beschuldiging gesteld, daarna formeel als lid ontslagen en onbekwaam verklaard, verder een ambt te bekleeden en daarenboven verwezen tot eene geldboete van ƒ 12,750— en de kosten van het proces.
Hiermede eindigt onze mededeeling betreffende de Bents commissie, die zoo veel gerucht in de Surinaamsche wereld maakte. Wij hebben ze verhaald, zoo als ze ons uit de officieele bronnen, berustende op Her Majesty’s State Paper Office en door particuliere berigten, is bekend geworden.
Verscheidene min of meer belangrijke depêches of verslagen of petities uit Suriname aan het Britsch bewind gezonden, werden aan onzen Gezant ter hand gesteld. Onder deze laatstgenoemde kan die der ingezetenen uit het district Nickerie wel eene der belangrijkste worden genoemd.
Thans verzochten de inwoners van Nickerie in hunne petitie, om, zoo het al niet mogelijk ware, met Demerary en Berbice te worden vereenigd, dan toch door bemiddeling van het Britsch Gouvernement bij den koning der Nederlanden te bewerken, dat hun wederkeerig dezelfde vrijheid zou worden verleend, als door de Britsche regering aan de Hollandsche bewoners der onder het Britsch bestuur blijvende koloniën Demerary en Berbice was toegestaan, namelijk: vrijen invoer hunner benoodigdheden, uit- en vrijen uitvoer hunner producten, naar de Britsche koloniën in de West-Indië of van Engeland, in Engelsche schepen. Als drangreden tot hun verzoek voerden zij aan, dat zij door den verren afstand van de oude kolonie immer verpligt waren geweest met Demerary en Berbice handel te drijven. (De overtogt van Nickerie naar de Berbice geschiedde in 5 uren, voor dien naar Paramaribo had men 6 à 7 dagen noodig). Hun bestaan hing van deze vergunning af. Zij betreurden dat het Britsch bestuur hen niet verder beschermen kon: zij waren meest oorspronkelijk Engelschen; zij hadden gelden tot in cultuur brenging hunner gronden ontvangen van personen uit Londen, Liverpool, Glasgow enz.; zij zouden zich eenzaam en verlaten gevoelen onder het Nederlandsch bewind, waarop zij geene betrekking hadden, zoo als de anderen in Suriname, enz. Deze petitie was door 7 personen (meest Engelsche namen) onderteekend. Uit een hierbij gevoegden staat bleek, dat in het District Nickerie waren: 6 koffij- en 14 katoenplantaadjes, te zamen groot 13,000 acres, met eene slavenmagt van 1,528 personen.
Tot ondersteuning van dit verzoekschrift kwam mede bij het Britsch bewind een stuk in van denzelfden geest door 18 planters en kooplieden uit Demerary en Berbice onderteekend.
Men begon langzamerhand toebereidselen te maken tot de ontruiming der kolonie en trok alzoo de buitenposten in. Ten tijde der Engelsche regering waren deze sterk bezet; gewoonlijk bevonden zich in de kolonie twee regimenten. Toen Suriname aan de Hollanders zou worden overgegeven, moesten de buitenposten afgelost worden. Daartoe werden de compagniën kleurlingen en vrije negers der schutterij geconsigneerd. (De compagniën blanken bleven in de stad).—De kleurlingen gingen dan ook, op eigen kosten, de Engelschen op de buitenposten aflossen, en bleven de krijgsdienst waarnemen, totdat de Hollandsche militairen hen kwamen aflossen. Sommigen der compagniën kleurlingen zijn drie maanden lang op de posten gebleven—en hebben daardoor onmiskenbare blijken van hunne gehechtheid aan Nederland en aan het Huis van Oranje aan den dag gelegd.
Van Braam arriveerde per fregat, met 250 man troepen, in het begin van Januarij 1816; de nieuw benoemde Gouverneur van Panhuijs was genoodzaakt geworden door bekomen avary, met het fregat, waarop hij zich met de andere troepen bevond, in de Baai van Biscaye binnen te loopen.
Daar van Panhuijs al de orders en overeenkomsten omtrent de overgave der kolonie aan Nederland bij zich had, vermeende Bonham te moeten wachten met de overgave der kolonie en de ontscheping van troepen tot zijne aankomst.
Panhuijs kwam echter reeds den 26sten Januarij aan en nu werden door Bonham de noodige toebereidselen voor het vertrek der Britsche troepen enz. gemaakt en den 26sten Februarij 1816 werd Suriname aan het Nederlandsch bewind overgegeven.
Het was een plegtig oogenblik toen de Engelsche vlag, die midden op het Gouvernementsplein aan een hoogen stok woei, langzaam werd nedergelaten, terwijl de Hollandsche driekleur even statig werd opgeheschen; waarop een luid gejuich door het volk werd aangeheven en het Oranje boven daverend door de lucht weêrgalmde.
Den juichtoon Oranje boven te hooren doet een Hollandsch hart goed, en te kunnen vermelden, dat die juichtoon weder in Suriname uit vrije borst werd aangeheven, is ons een hartverheffend genoegen; wij verheugen ons met de geschiedenis tot dat tijdstip te zijn genaderd. Bij het sluiten van het Engelsche tijdvak moeten wij evenwel, daar wij steeds wenschen onpartijdig te zijn, bekennen, dat wij niet met Teenstra en anderen instemmen, wanneer zij het Britsch bestuur als nadeelig voor de kolonie beschouwen.
De Britsche regering heeft met matiging van de verkregen magt gebruik gemaakt, en getracht de belangen van Suriname te bevorderen en tevens die der Hollandsche geldschieters niet uit het oog te verliezen.
Dat door vroegere schrijvers een ongunstig en onregtvaardig oordeel over het Britsch bewind is uitgebragt, gelooven wij voornamelijk te moeten zoeken, in de omstandigheid, dat er zoo weinig bronnen tot het regt kennen van dit tijdvak in Holland of Suriname aanwezig waren.
De officieele correspondentie tusschen de Engelsche Gouverneurs en de Secretarissen van Staat van het Departement van Koloniën; verscheidene brieven aan bijzondere personen; extracten van notulen van het Hof van Policie omtrent belangrijke aangelegenheden; de uitvoerige memorien van Heshuijzen; de rekeningen en balansen der verschillende kassen, enz. enz. waren achtereenvolgens naar het Departement van Koloniën te Londen overgemaakt en verder had Bonham bij zijn vertrek uit Suriname, de overige papieren (every document in the English) mede naar Engeland genomen »om,” gelijk hij aan Goulborn, Esq., 2de Secretaris van Staat, bij zijn aankomst te Londen meldde, »voor te komen, dat de Hollanders kennis bekwamen van de met zekere personen in Suriname gehouden correspondentie” (to prevent the Dutch gaining any information as to our correspondence with Certain persons in Surinam.)
Deze papieren berustten thans op Her Majesty’s State Paper Office te Londen. Om zooveel mogelijk licht over het Engelsche tijdvak te verspreiden, heb ik mij eene reis naar Londen getroost en aldaar is mij het onderzoek dier belangrijke bescheiden toegestaan; terwijl ik bij deze de diensten mij hiertoe door de Nederlandsche legatie verleend, dankbaar gedenk, moet ik tevens erkennen, dat dezelfde welwillendheid, die ik vroeger op ’s Rijks Archief in ’s Gravenhage van den heer Archivarius en anderen ontving, bij de bewerking van vroegere tijdvakken, evenzeer door mij genoten is van de ambtenaren bij het Departement van Koloniën en het State Paper Office te Londen. Nederlandsche en Britsche authoriteiten en ambtenaren wedijveren in beleefdheid, om het onderzoek der officieele bronnen gemakkelijk te maken, zelfs voor hem, die zich met zwakke schreden en nog weinig geoefenden blik op het moeijelijk gebied van historie waagt te begeven en die hierdoor moed erlangt om verder voort te gaan.
1796 December 2 ƒ 250,000.—
1797 Julij 27 ƒ,, 350.000.—
—— November 4 ƒ,, 400,000.—
1798 April 20 ƒ,, 400,000.—
—— November 15 ƒ,, 600.000.—
1799 Januarij 28 ƒ,, 400,000.—
ƒ 2,400,000.—
5700 kaarten à ƒ 2.10, die de Gouverneur den tijd niet had gehad te teekenen, waren, als zonder waarde, verbrand ƒ 14,250.—
Bleef alzoo de somma ƒ 2,385,750.—
↑