← Table of contents
Geschiedenis van Suriname

van 1683 tot 1804. (continued 4)

Reading edition

Vooral sprong hierbij in het oog de hem toegeschrevene deugd van verdraagzaamheid, waarvan hij verscheidene bewijzen gaf. Bij de door de Roomsch-Catholieken toch verzochte vrijheid tot openlijke uitoefening hunner eeredienst, had de stem en voorspraak van Wichers in het Hof grooten invloed op de gereede toestemming van dat verzoek. Ook de Luthersche gemeente wilde hij gaarne in den nood, waarin haar armenkas verkeerde, helpen, en diende haar met goeden raad. Dat die raad, niettegenstaande de Luthersche gemeente dien opvolgde, niet baatte, lag niet aan Wichers, daar de Boekhouder-Generaal niet te bewegen was, om een gunstig advies op haar rekwest om subsidie uit te brengen (zie bladz. 414), en overeenkomstig dit advies werd tegen den wensch van Wichers, genoemd rekwest gewezen van de hand. De Hernhutters en hun arbeid nam Wichers welwillend in bescherming. Den Joden, door onderlinge twisten verdeeld, weigerde hij geene medewerking om hunne instellingen te regelen, en het door hen in hem getoonde vertrouwen beantwoordde hij door met ijver hunne zaken ter hand te nemen en tot een vrij goed einde te brengen.

Die verdraagzaamheid had echter hare grens: streng werd door Wichers de ongodsdienstige strekking van sommigen, gedurende zijne regering, in Suriname uitgekomen, geschriften gegispt en hiertegen maatregelen verordend. In het politieke scheen hij geen wrijving van gedachten te schuwen, want niettegenstaande de reeds vermelde klagt van den Raad-Fiscaal over de Surinaamsche Spectator, vinden wij geene berigten eener nadere vervolging.

De liefde van Wichers voor de fraaije letteren deed hem de daartoe eenigzins in de Kolonie ontwaakten lust aanmoedigen: terwijl de waarheid der bewering: dat hij een kundig en verlicht man was, door zijne andere handelingen, tijdens hij het bewind over Suriname voerde, bevestigd werd.

Dat Wichers òf in het algemeene vooroordeel van dien tijd omtrent de behandeling der slaven deelde, òf dat hij geen zedelijke kracht genoeg had om hier tegen te getuigen, is ons niet volkomen duidelijk. Aan welke oorzaken dit dan moet worden toegeschreven beslissen wij niet; maar zeker is het, dat de vermelding van het volgende, een pijnlijken indruk op vele lezers zal maken:

De geldkwestie heeft steeds ongunstig op de vrijmaking der slaven gewerkt; niet slechts deed zij in het hier genoemde op nieuw onbillijkheden begaan; zij oefende ook een noodlottigen invloed uit op het kwijten eener schuld jegens de kleurlingslaven, welks grootheid men eenigermate had beginnen te gevoelen. De kleurlingslaaf was nog ongelukkiger dan de negerslaaf. Uit gemengd bloed gesproten, van zwakker ligchaamsgestel, was hij voor den zwaren arbeid minder dan de negers geschikt. Viel die arbeid hem zwaar, dubbel pijnlijk troffen hem de vernederingen en beleedigingen, die hij als slaaf moest verdragen; want ook in zijne aderen stroomde het bloed zijner vaderen. En trilde de vader van verontwaardiging bij de geringste aanranding zijner vrijheid; diens kind moest lijden en zwijgen, zelfs de bij grofste schending, en zijn medelotgenoot, de zwarte negerslaaf, beschouwde den kleurlingmakker met wantrouwen.

Het Gouvernement van Suriname besloot op zijne hoede te zijn en trachtte in de eerste plaats het wantrouwen der Aucaners tegen Bonni te vermeerderen, om van die zijde steun te erlangen en ten tweede versterkte men het vrijcorps, om in staat te zijn de gevreesde aanvallen, zoo mogelijk, te keeren.

Ascaan ontving tot loon voor zijn verraad, de vrijheid, onderofficiers-gagie en ƒ 100 douceur.

Hoewel een groot gedeelte van Bonni’s bende ontkwam, was echter zijne kracht gebroken; kommer, ellende en hongersnood waren voortaan het deel zijner mannen. Bonni was niet langer gevaarlijk voor de kolonie.

Behalve de onaangenaamheden hieruit ontstaan, kwamen er ook klagten over de aanmatigingen der door Wichers aangestelde Joodsche Regenten, hetwelk hem mede veel verdriet veroorzaakte.

Uit het medegedeelde zal men de vroeger gemaakte opmerking moeten toestemmen, dat Wichers onmiskenbare verdiensten had en onder de beste Gouverneurs van Suriname kan worden gerekend, doch dat de lof, dat hij tegen de gruwelijke behandeling der slaven, met allen ijver, zou hebben gewaakt, onverdiend was.

Friderici, de dappere Friderici, werd algemeen geacht en door het vrijcorps als een vader bemind. Men zag het alzoo met genoegen, dat bij het vertrek van Wichers, aan Friderici het bestuur der kolonie werd toevertrouwd. Hij aanvaardde dit echter niet onder den gewonen titel van Gouverneur ad Interim, maar als Commandeur die »verder door de Edele Groot Achtbare Heeren Directeuren en Regeerders der opgemelde colonie geauthoriseerd was, omme het Gouvernement, geduurende het verlof van den Gouverneur-Generaal Wichers waar te nemen.”

Nadat men hiervan zekerheid had bekomen, hoopte men dat Friderici definitief als Gouverneur zou worden aangesteld. Die hoop werd niet teleurgesteld.

De gewone feesten als parade, gastmaal, bal enz. bleven niet achterwege; terwijl ook daarenboven het huis van den heer Raad van Policie Stolkert en van andere particulieren inwoners der kolonie, mitsgaders twee op de reede liggende schepen, met de wapens van Friderici en toepasselijke bijschriften prijkten en prachtig waren geïllumineerd.

Zooveel mogelijk trachtte Friderici bij voor hem en voor de kolonie belangrijke gebeurtenissen, die hij wenschte te vieren, die feestviering te doen plaats hebben op die dagen, waarop een der leden van het vorstelijk geslacht verjaarde, en steeds werden die herinneringsdagen door hem met luister herdacht, want Friderici was een warm voorstander van het Huis van Oranje.

Friderici ging in dezen niet mede met den tijdgeest, die meer en meer de banden, die ons Vaderland aan Oranje verbonden, vaneen trachtte te rijten.

De beginselen der Fransche vrijdenkers, die de revolutie in Frankrijk te voorschijn riepen, waardoor een braaf vorst boeten moest voor de misdrijven zijner voorgangers en waardoor de ongebreidelde hartstogten der volkeren in beweging werden gebragt, hadden ook in ons Vaderland verdervend gewerkt; ook aldaar waren de gemoederen verhit en door allerlei drogredenen was het eene partij gelukt om Neêrlands volk van Oranje te vervreemden. De invloed dier beginselen werd ook in Suriname gevoeld en hierdoor ontstonden verwikkelingen, die noodlottige gevolgen voor de kolonie na zich sleepte, welke Friderici niet kon verhoeden.

De algemeene toestand van Suriname was bij den aanvang der regering van Friderici niet zoo geheel ongunstig te noemen, als eenige jaren vroeger. Friderici was door en door met de koloniale belangen bekend en een ijverig voorstander van landbouw en industrie; men hoopte, dat onder zijn wijs en voorzigtig bestuur de kolonie tot meerderen bloei en meerdere welvaart zou geraken. Die hoop nog werd vermeerderd door het stijgen der prijzen van de koloniale producten, en hoewel de schaarschte aan geld zich nog wel pijnlijk deed gevoelen, en er nog gedurig plantaadjes in handen der hypotheekhouders voor schuld overgingen—troostte men zich met de betere vooruitzigten.

De bevolking der kolonie werd in 1791 begroot op:

Friderici wenschte ook de armverzorging op een beteren voet te brengen, daar zij, niettegenstaande de telkens vermeerderende subsidiën, zeer veel te wenschen overliet. Vooral was het slecht bestuur van het Gereformeerd Diaconiehuis eene zaak, die noodwendig voorziening behoefde. Er werd daarom op zijn voorstel eene commissie door het Hof benoemd, om een en ander behoorlijk te onderzoeken. Die commissie bragt in de vergadering van 28 December 1790 verslag uit van den staat van het Gereformeerde Diaconiehuis. Dit verslag luidde o. a.: »men moet verbaesd staan over de slegte ordre, welke in onze Diaconie is heerschende en welke allengskens door een quaade gewoonte hand over hand is toegenoomen, en welke van den beginne af aan, had moeten teegegaan zijn, bij aldien een yder dat wie met soo veel sorgvuldigheyd toezigt van deese aan de soo veel kostende staat is toevertrouwd en aanbevoolen, op ’t ernstigst zig deese zaak ter herte hadde genoomen.”

aan de Sociëteit ƒ 2,342,474: 4.15

en aan het kantoor der modique lasten ƒ,, 1,590,582:17.6

Alzoo te zamen. ƒ,, 3,933,087: 2.5

Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.

Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.

Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.

Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijk versterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts een oorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.

Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.

Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:

1o Langs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;

In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande de drukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Fransche koloniën was afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.

Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.

Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlaten en zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.

Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beide koloniën had haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.

Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.

Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5de en zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18den Januarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.

In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8sten Maart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21sten Mei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:

»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.

Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanige oorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om te beletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.

Waarmede,

Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,

Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.

(Get.) W. Pr. van Oranje.

Kew, den 7 Feb. 1795.

Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.

(Get.) J. W. Boejink.

Aan den Gouverneur van Suriname.”

Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want in Demerary was een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.

De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.

Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van 11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.

Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:

»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. Extract uit het Register der Resolutiën van de Hoogmogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden.

Sabbathi den 11 April 1795.

Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.

De Gecommiteerden van Holland hebben ter vergadering voorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.

Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelver publicatie van den 4den Maart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.

Dat in tegendeel alle opperhoofden, collegiën van regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zij gesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met alle rigeur tegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.

En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.

En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alle confusiën voor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.

(Was Geparapheert) J. G. H. Hahn, Vt.

Accordeert met voorz. register.

(Was Getekend) W. Quarles.”

Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:

»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijke Sociëteit en Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.

»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste op de eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.

»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van een ligchaam van commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.

»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1sten Junij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld een Raad over de coloniën in America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfde coloniën en bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: de coloniën Demerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemde Sociëteit van Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel der coloniën en tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.

»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors. coloniën van den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.

»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle de voorsz. directiën denzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelve coloniën bij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.

»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indische coloniën genoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfde ligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.

De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. De onophoudelijke veranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.

Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31sten Januarij 1799.

De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:

1o het politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld;

2o den landbouw en den staat der ingezetenen;

3o den toestand der magazijnen;

4o het militaire wezen en defensie;

5o den toestand der finantiën.

Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.

Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.

Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- en Cacaoteelt echter ging achteruit.

Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoo sterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.

Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.

Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen, werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.

Vooral omtrent de finantiën is de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.

De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld en obligatiën dan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242 : 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.

Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.

De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13den Augustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16den Augustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”

De artikelen der aangeboden capitulatie waren:

1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;

2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.

De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;

3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;

4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;

5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;

6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;

7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;

8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.

Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:

1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;

2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;

3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;

4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;

5o en 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;

7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2e artikel der capitulatie bedoeld.

Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”

Den 2den September 1799 werden door den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.

De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.

De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.

Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13den November 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met ’s rijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.

Er bevonden zich nog wel 2 Engelsche oorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28sten November werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publieke gebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.

Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.

Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.

Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig was

voor eene somma van ƒ 6896.—

oud en ongangbaar geld ƒ,, 935.—

zoo dat te zamen ƒ 7831.—

aan specie in die kas was: dit was de eenige specie in ’s lands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som van ƒ 1782:14.9⅔

in de kas der hoofdgelden ƒ,, 53136:17.12⅔

in die der venduregten ƒ,, 100361:12.12

Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papieren geld) eene som van ƒ 409,659:5.8

doch zij was schuldig ƒ,, 660,509:11.7⅔

in de kas der gemeene weiden eene som van ƒ,, 157,9:12⅔

en schuldig ƒ,, 1491:4.8

Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen in Holland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.

Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.

In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5den December 1803 in de kolonie aan, en nam den 9den December het bewind over.

Berranger stelde ook aan den Raad der coloniën een nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en de eigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.

Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:

12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pond ƒ 600,000.

20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vat ƒ,, 400,000.

3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pond ƒ,, 300,000.

500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pond ƒ,, 18,750.

10 pCt. op de houtplantaadjes ƒ,, 30,000.

Idem op het zegel ƒ,, 150,000.

80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per ton ƒ,, 160,000.

Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofd ƒ,, 100,000.

Op de venduen ƒ,, 30,000.

Te zamen ƒ 1,888,700.

Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.

De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt de koloniën van den staat. Den 25sten April 1804 vertoonden zich 31 Engelsche grootere en kleinere oorlogsschepen aan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27sten bemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28sten April, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”

De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen: »zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.

Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.

De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.

Wel is Suriname eene productieve kolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de ooren van den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.

Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.

Men rekent, dat aan den heer Raad Fiscaal, volgens ZEd. eisch zal kunnen toeleggen jaarlijks Surinaamsch geld ƒ 6000

De nieuw aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder ƒ,, 2000

De twee Substituut-Exploiteurs ieder ƒ 500, dus ƒ,, 1000

Huur van twee sloepen, die de Exploiteur uit zijn privé-beurs moet betalen, jaarlijks voor ieder ƒ 100 ƒ,, 200

Onderhoud van 10 slaven, die door het land zouden moeten worden gekocht, te weten voor kost, noodig onderhoud en chirurgijnsloon aan den Exploiteur toe te leggen ƒ,, 300

Interest van eene somme van ƒ 5000, dat men rekent de 10 aan te koopen slaven zullen kosten, à 8 pCt. in het jaar ƒ,, 400

ƒ 9900

dat alle jaren aan citatiën, zoo voor de beide hoven van Policie en Civiele Justitie, als voor het Collegie van Kleine Zaken, boven de ƒ 100 worden uitgegeven 500 stuks, ieder gerekend à ƒ 4.10 ƒ 2025

Aan Exploiten, die jaarlijks worden gedaan, zoo schat men zulks op 300 stuks, ieder gerekend op ƒ 7.10 ƒ,, 2250

Aan huur van twee sloepen en 10 stuks slaven, tot het doen van Exploiten in de rivieren met de vacantiën, welke men vooraf alhier verdeeld, namelijk, dat wanneer een Exploit wordt gedaan op plantaadjes, één getij van Paramaribo gelegen, ƒ 18 en verder voor ieder getij meer ƒ 18, rekent men op te brengen ƒ,, 1800

Voor ’t derigeren der Executiën, ieder jaar ƒ 10 à 20 ƒ 200

Proclamatiën, Edictaales Citatiën, maken van Inventaris, alles met de aankleve van dien, alsmede voor het visiteeren in civiele gijzelingen, rekent men hoogstens ƒ,, 1800

Voorgestelde heffing van 5 pCt. voor de koopers van losse, vaste goederen bij Executie verkocht, daar men vermeent, dat de kooper weinig zien zal, rekent men ƒ,, 1000

ƒ 9075

Te kort alzoo volgens Calcula ƒ,, 825

ƒ 9900

De Exploiteur zal ten zijnen kosten moeten koopen twee bekwame scheepssloepen, welke men rekent dat zullen kosten hoogst ƒ 400, die sloepen twee jaren dienende, zoo kost hem zulks jaarlijks ƒ 200

Voor kost en onderhoud van 10 slaven, mitsgaders chirurgijnsloon à 50 per slaaf ƒ,, 500

Voor het maken van een tentbootloods ƒ 200; men rekent dat deze 4 jaren goed blijft, is dus ieder jaar ƒ,, 50

ƒ 750

Alzoo kan de Exploiteur jaarlijks overhouden ƒ,, 2050

ƒ 2800

1. Een vast jaarlijks tractement ƒ 2000

2. Voor huur van de twee sloepen ƒ,, 200

3. Voor het onderhoud der 10 slaven ƒ,, 300

4. Opbrengst huurloos, wanneer hij de slaven niet voor de dienst noodig heeft, rekent men ƒ 30 per slaaf ƒ,, 300

wordt ƒ 2800

Dirigeren eene Executie eens vooral buiten vacatie ƒ 20.00

Presentie-geld van ieder Raad in de rivieren per dag ƒ,, 20.00

Presentie-geld,,van,,ieder,,Raad,, in Paramaribo per,,dag,, ƒ,, 5.00

Omslag voor den tamboer ƒ 1.10; voor vacatie in de rivieren in de 24 uren ƒ,, 10.00

Huurvaartuigen en slaven, ieder 24 uren of vacatie ƒ 8.00

Inventaris zonder voortgang der Executie ƒ,, 7.10

Sondags-Proclamatie van 1, 2, 3 en 4de gebod, voor ieder ƒ,, 7.10

Exploit op mandement van purge, soo wegens het afkondigen, uitroepen als het citeeren van een iegelijk, die sich partij zoude willen maken ƒ,, 7.10

Copie van ’t mandement op een zegel aan het raadhuis ƒ,, 5.00

Het relaas of acte van Exploite ƒ,, 5.00

Exploit van een mandement van ministerie en van policie ƒ,, 7.10

Emolument voor den Substituut-copie van ’t mandement ƒ,, 1.16

Exploit op ’t mandement van Benifice van Inventaris ƒ,, 5.00

Edicaale Citatie op zegels, aan ’t raadhuis en in de rivieren, ieder ƒ,, 5.00

Het maken van Inventaris, Estimatie van goederen en verklaring bij acte doet stellen ƒ,, 9.18

Een insinuatie op verleende surcheange ƒ 7.10

Een,,insinuatie,, om wederom in gijzeling te gaan ƒ,, 7.10

Voor het verlies van beide oogen ƒ 1500.

Voor,,het,,verlies,,van,, een oog ƒ,, 300.

Voor,,het,,verlies,,van,, beide armen ƒ,, 1500.

Voor,,het,,verlies,,van,, regter arm ƒ,, 450.

Voor,,het,,verlies,,van,, linker arm ƒ,, 350.

Voor,,het,,verlies,,van,, beide handen ƒ,, 1200.

Voor,,het,,verlies,,van,, regter hand ƒ,, 350.

Voor,,het,,verlies,,van,, linker hand ƒ,, 300.

Voor,,het,,verlies,,van,, beide beenen ƒ,, 700.

Voor,,het,,verlies,,van,, een been ƒ,, 350.

Voor,,het,,verlies,,van,, beide voeten ƒ,, 450.

Voor,,het,,verlies,,van,, een voet ƒ,, 200.

de eerste 14 dagen ƒ 3 per dag;

de tweede id. ƒ,, 2 id.

en verder id. ƒ,, 1 id.

↑

100 ps. à ƒ 1000— ƒ 100,000—

200 ps.,,à,, ƒ,, 500— ƒ,, 100,000—

250 ps.,,à,, ƒ,, 400— ƒ,, 100,000—

250 ps.,,à,, ƒ,, 200— ƒ,, 50,000—

500 ps.,,à,, ƒ,, 100— ƒ,, 50,000—

te zamen ƒ 400,000—

Notes in this chapter

Note 1 · De Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel, bl. 96 enz. ↑Note 2 · Pistorius—zie: de Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel, blz. 100–101. ↑Note 3 · Van Schaick, Geschiedenis der Herv. kerk in Suriname en West-Indië, eerste jaarg. bladz. 82. ↑Note 4 · Van Sypesteyn spreekt dit voorval in zijne bijlage blz. 234 tegen, met te vermelden, dat zijne echtgenoote Margaretha du Puij de St. André MNote 5 · Hartsinck, 2de deel, blz 650. ↑Note 6 · Hartsinck, 2de deel, bladz. 648 en Sypesteyn, Historische proeve. ↑Note 7 · Zie nader: de Kok, Vaderlandsch woordenboek, 2de deel, bladz. 90 enz. ↑Note 8 · Zij was Marguerite du Puys de St. André Montbrun, oudste dochter van Alexandre, Marquis de St. André Montbrun, luitenant-generaal, de beroemNote 9 · Een en ander van dit berigt wegens de Refugiés is ontleend aan een opstel in het Tijdschrift, West-Indië, 13de jaargang, blz. 109 enz. Van dNote 10 · Deze bezending had eene moeijelijke reis gehad; door een zeeschuimer aan boord geklampt, waren zij door hem op hunne bede wel in het leven gNote 11 · Het voornaamste aangaande het hier omtrent de Labadisten in Suriname medegedeelde, is ontleend aan het belangrijke werk van H. van Berkum. SNote 12 · Pistorius, blz. 102. ↑Note 13 · Sypesteyn, blz. 16. ↑Note 14 · Historische proeve, 1e. deel, blz. 42, 43. ↑Note 15 · Historische proeve, 2de deel, blz. 42 enz. ↑Note 16 · H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, bladz. 293 enz. ↑Note 17 · Hartsinck, 2de deel, blz. 647, 648. ↑Note 18 · Deze publicatie vindt men in zijn geheel bij Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname, blz. 240. ↑Note 19 · Men vergat hierbij zeker Ds. Baselius, die in 1668 als zoodanig was aangesteld en eerst in 1689 overleed. ↑Note 20 · Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel, blz. 31. ↑Note 21 · Hartsinck, 2de deel, blz. 648. Teenstra, 1e. deel, blz. 33. ↑Note 22 · Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 2de deel, blz. 33. ↑Note 23 · Hartsinck, 2de deel, blz. 648. ↑Note 24 · Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32. ↑Note 25 · Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32. ↑Note 26 · Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32. ↑Note 27 · Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 34. ↑Note 28 · N. G. Kampen. Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 288. ↑Note 29 · Pistorius, blz. 102. ↑Note 30 · Hartsinck, 2de deel, blz. 631. ↑Note 31 · Hartsinck, 2de deel, blz. 651. ↑Note 32 · Hartsinck, 2de deel, blz. 672. ↑Note 33 · Hartsinck, 2de deel, blz. 672. ↑Note 34 · Sypesteyn, blz. 21. ↑Note 35 · Sypesteyn, blz. 21 en 22. ↑Note 36 · Zie H. J. Koenen, Geschiedenis der Joden in Nederland. Mr. Is. da Costa, Israël en de Volken. Historische proeve, Hartsinck. ↑Note 37 · Hartsinck, 2de deel, blz. 674. ↑Note 38 · Hartsinck, 2de deel, blz. 673, 674. ↑Note 39 · Hartsinck, 2de deel, blz. 675. ↑Note 40 · Hartsinck, 2de deel, blz. 674–679. Teenstra, De landbouw, blz. 37. Sypesteyn blz. 23. ↑Note 41 · Historische proeve. ↑Note 42 · Hartsinck, 2de deel, blz. 680. ↑Note 43 · Sypesteyn, blz. 24. ↑Note 44 · Hartsinck, 2de deel, blz. 706, 894. Teenstra, De landbouw, 1e. deel, blz. 38. Historische proeve blz. 82. Sypesteyn, blz. 24, 25. ↑Note 45 · Zie Historische proeve, 1e. deel, blz. 82. ↑Note 46 · Hartsinck, 2de deel, blz. 682. ↑Note 47 · Sypesteyn, blz. 25. ↑Note 48 · De geheele uitvoerige beschrijving van den inval van Cassard vindt men bij Hartsinck van blz. 700–722. ↑Note 49 · Ondertusschen had Cassard in November door een gedeelte van zijn eskader onder den Baron de Mouans, de kolonie Berbice zoodanig gebrandschatNote 50 · Hartsinck, 2de deel, blz. 719. ↑Note 51 · Hartsinck, 2de deel, blz. 714. ↑Note 52 · Hartsinck, 2de deel, blz. 718. ↑Note 53 · Hartsinck, 2de deel, blz. 722 deelt dit uitvoerig mede. ↑Note 54 · Van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 419 veronderstelt de mogelijkheid, dat familie-betrekkingen tusschen de aristocratNote 55 · Hartsinck, 2e deel, blz. 727, 728 enz. ↑Note 56 · Sypesteyn, blz. 30. ↑Note 57 · Redevoering van Mr. C. Ph. Vlier, Surinaamsche almanak 1833, blz. 278. ↑Note 58 · Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, gouverneur-generaal van Suriname in 1742–1751. ↑Note 59 · Sypesteyn, blz. 27. ↑Note 60 · Teenstra, De landbouw in Suriname, 1e deel, blz. 40. ↑Note 61 · Historische proeve, 1e deel, blz. 98. ↑Note 62 · Historische proeve, 1e. deel, blz. 98. ↑Note 63 · West-Indië 2de jaargang, blz. 28, 29. Sypesteyn. ↑Note 64 · Sypesteyn en Hartsinck. ↑Note 65 · West-Indië, 2de jaargang, blz. 23. Sypesteyn. ↑Note 66 · Hartsinck, 2de deel, blz. 741. Historische proeve, 1e. deel, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29. West-Indië, 2de jaarg. blz. 294, 295. ↑Note 67 · Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. ↑Note 68 · Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. ↑Note 69 · Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. West-Indië, 2de jaarg. blz. 150. ↑Note 70 · Hartsinck, blz. 741. Historische proeve, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29. ↑Note 71 · Hartsinck, 2de deel, blz. 742. ↑Note 72 · Hartsinck, 2de deel, blz. 742. ↑Note 73 · Hartsinck, 2de deel, blz. 743. ↑Note 74 · Hartsinck, 2de deel, blz. 744–754, alwaar het geheele octrooi medegedeeld wordt. ↑Note 75 · G. B. v. d. Bosch, Reizen in Suriname, blz. 49. ↑Note 76 · In het Journaal van Gouverneur Mauricius, worden nu en dan bijzonderheden over de bergwerkers medegedeeld; onderlinge twisten tusschen de hoNote 77 · In de journalen der gouverneurs als Mauricius, von Spörche, Crommelin enz., welke op het rijks archief berusten, vindt men verscheidene keerNote 78 · Hartsinck, 2de deel, blz. 740. ↑Note 79 · Octrooi van 1682, artikel 5. ↑Note 80 · Sommige verkoopers van slaven scheidden met voordacht de mannen van hunne vrouwen, de moeders van hare kinderen, om daardoor de koopers te nNote 81 · Hartsinck, 2de deel, blz. 899. ↑Note 82 · Zie hierover W. Bosman, Naauwkeurige beschrijving van de Guinesche Goud-, tand- en slavenkust, enz. 1704.—Deze schrijver heeft vele jaren inNote 83 · W. Bosman, 2de deel, blz. 146. ↑Note 84 · Hartsinck, 2e deel, blz. 901. ↑Note 85 · W. Bosman, 2de deel, blz. 147. ↑Note 86 · Als een voorbeeld uit vele dergelijke gevallen diene de volgende mededeeling uit het dagboek van jhr. J. J. Mauricius, gouverneur van SurinaNote 87 · Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, blz. 275 enz. ↑Note 88 · Lans, die in onzen tijd door het Ned. Gouvernement naar Suriname is gezonden, om den suikercultuur na te gaan en zoo mogelijk hierin verbeteNote 89 · Zie over de geneeskundige behandeling zelfs in lateren tijd het zeer belangrijke werkje van F. A. Kahn, M.D., Ridder der orde van den Ned. LNote 90 · Teenstra zegt in zijn werk: “De negerslaven in de kolonie Suriname,” van de kleurlingen blz. 85 het volgende. “Van alle slaven zijn de kleurNote 91 · Hartsinck, 2de deel, blz. 646. »Van Sommelsdijk bepaalde, dat voortaan niemand zijne slaven meer zou mogen verminken of met den dood straffeNote 92 · Teenstra, de Negerslaven in de kolonie Suriname, blz. 379. ↑Note 93 · Hartsinck, 2de deel, blz. 916. ↑Note 94 · Hartsinck, 2de deel, blz. 916. Bij zwaarder misdrijven moest de meester een schriftelijk verhaal van het wanbedrijf van den slaaf in handen Note 95 · Volgens rapport, na gedane huiszoeking door den Raad Fiscaal, had zij binnen korten tijd, 4 à 5 maanden, 6 harer negers gedood en was reeds Note 96 · Stedman, Reizen in Suriname. ↑Note 97 · Uit de rapporten, door den Raad Fiscaal aan het Hof van Policie ingeleverd, wordt deze geringachting van den doodstraf, zelfs in den gruweliNote 98 · Volgens resolutie van 8 December 1686 was anders toch bepaald, dat negers, door de justitie gestraft wordende, aan de eigenaars uit de kas dNote 99 · Niettegenstaande dit besluit van 27 Aug. 1744, waarbij het voorstel van Mauricius werd afgewezen, is men er later op terug gekomen, en heeftNote 100 · Hartsinck, 2de deel, blz. 917.—Deze bepalingen werden meermalen vernieuwd en strenger gemaakt, en ook tegen het bezoeken der smokkelkroegen Note 101 · Hartsinck, 2de deel, blz. 755. ↑Note 102 · Historische proeve, 1e. deel, blz. 99. ↑Note 103 · Van Kampen, Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 420. ↑Note 104 · Van Kampen. De Nederl. buiten Europa. 2de deel, blz. 421. ↑Note 105 · Surinaamsch placcaatboek, 7 Julij 1685. ↑Note 106 · Surinaamsch placcaatboek, 10 Julij 1687. ↑Note 107 · Surinaamsch placcaatboek, 8 Nov. 1698. ↑Note 108 · Surinaamsch placcaatboek, 20 Feb. 1717 tot 18 Mei 1718. ↑Note 109 · Notulen Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1742. ↑Note 110 · Surinaamsch placcaatboek, 24 April 1726 tot 7 Dec. 1742.—Resolutie, 13 Dec. 1742. ↑Note 111 · Hartsinck. 2de deel, blz. 757. ↑Note 112 · Van Kampen. De Nederlanders buiten Europa. 2de deel, blz. 423. Hartsinck, 2de deel, blz. 759. ↑Note 113 · H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, blz. 297. ↑Note 114 · Zie notulen Gouverneur en Raden, 20 Mei 1730. ↑Note 115 · Schadelijk wild? ↑Note 116 · Zie notulen Gouverneur en Raden, 4 Aug. 1730 en Hartsinck enz. ↑Note 117 · Notulen, 14 Dec. 1730. Hartsinck, 2de deel, blz. 764 enz. ↑Note 118 · Stedman. Reizen naar Suriname. 2de deel, blz. 150, gewaagt mede van eene dergelijke strafoefening, welke een ooggetuige hem medegedeeld had,Note 119 · Hartsinck, 2de deel, blz. 763–765. Luzac, Hollandsch rijkdom, 2de deel, blz. 173–179. Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, bNote 120 · Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, blz. 117. Notulen van Gouverneur en Raden, 1738. ↑Note 121 · De kosten van iederen togt werden op ongeveer ƒ 100,000 begroot. ↑Note 122 · Over Mauricius enz. zie het volgende hoofdstuk. ↑Note 123 · Behalve het commando onder Creutz werden te gelijker tijd nog twee andere expeditiën tegen de boschnegers uitgezonden, als eene onder Mamre Note 124 · Hartsinck, 2de deel, blz. 768–771. ↑Note 125 · Mauricius schrijft in zijn dagboek den 7den Julij 1750, daar hij eenen dergelijken mislukten togt vermeldt, o. a. “Tijding gekregen, dat de Note 126 · Hartsinck, 2de deel, blz. 776.—Notulen van Gouverneur en Raden. Journaal van Mauricius, waarin meermalen gewag van deze zaak wordt gemaakt. Note 127 · Zie volgende hoofdstuk. ↑Note 128 · Zoutwater-negers zijn die welke uit Afrika aangevoerd zijn; de afstammelingen van hen, die in de kolonie geboren zijn, worden Creolen-NegersNote 129 · Deze slaven waren, na hun meester doodgeslagen te hebben, gevlugt, Notulen Gouverneur en Raden, 1 Maart 1748. ↑Note 130 · Zie over de familie Araby het latere gedeelte dezer geschiedenis, dat meer over de zendingszaak handelt. ↑Note 131 · De ondervinding toch had geleerd, dat met vrucht weinig tegen de boschnegers kon verrigt worden, en alzoo besloot men nu tot datgene, hetwelNote 132 · Deze Quako was slaaf bij eene Jodin geweest, die hem, niettegenstaande hij getrouw en arbeidzaam was, steeds hard behandelde; lang had hij dNote 133 · Een der commissarissen, de heer Zobre, was ongesteld geworden. ↑Note 134 · Zie Journaal van den Gouverneur, 19, 20, 26, 27 October, 7, 8, 11 December 1760. ↑Note 135 · Journaal van den Gouverneur, Sept. 1761. ↑Note 136 · Bij Hartsinck vindt men de togten tegen de negers en de met hen gesloten verdragen vrij uitvoerig vermeld, 2de deel, blz. 755–813, verder biNote 137 · Sypensteyn verhaalt daarvan in zijn werk »Mr. Jan Jacob Mauricius, Gouverneur-Generaal van 1742 tot 1751” dat hij reeds op zijn zesde jaar eNote 138 · Sypensteyn, Jan Jacob Mauricius enz. bladz. 11–15. ↑Note 139 · In het voorberigt van het octrooi door de Algemeene Staten, waarbij Suriname in handen en onder directie van de bewindhebbers van de GeneralNote 140 · Zie bladz. 84. ↑Note 141 · Zie Hartsinck, bladz. 889. ↑Note 142 · Zie notificatie 11 Mei 1742. ↑Note 143 · Later in 1749 door de oprigting van een kas tegen de wegloopers verviel deze heffing. ↑Note 144 · De beschrijving van de onderscheidene collegiën, kantoren, benevens de vermelding der onderscheidene ambtenaren, is voornamelijk aan HartsinNote 145 · Deze algemeene oproepingen waarvan wij ook in het 2de hoofdstuk 3de tijdvak spraken, moet men wel onderscheiden van de proeve van kolonisatiNote 146 · Zie o. a. Teenstra, de Negerslaven en bladz. 37—waar geklaagd wordt, dat eigenaars en administrateurs van plantaadjes de Duitschers boven anNote 147 · Hartsinck, 2e deel, blz. 876. ↑Note 148 · Historische proeve. H. J. Koenen, geschiedenis der Joden in Nederland. Is. da Costa, Israël en de volken. ↑Note 149 · Recueil echte stukken 2e. dl., blz. 183. ↑Note 150 · Teenstra deelt in “de Negerslaven” op blz. 43—en een ongenoemde schrijver in een werkje “Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand,” bladNote 151 · Journaal van Mauricius, 29 Jan. 1748. ↑Note 152 · Amerikaansch Voyagiën, door Adriaan van Berkel, uitgegeven tot Amsterdam bij Johan ten Hoorn, 1695. ↑Note 153 · Beschrijvinge van de volkplantinge Zuriname, door J. D. H. L., te Leeuwarden bij Meindert Injema, Boekdrukker en verkooper, vooraan in de StNote 154 · Recueil echte stukken bl. 518. ↑Note 155 · Notulen, 23 Mei 1746. ↑Note 156 · Notulen, 11 Junij 1748. ↑Note 157 · De Hoogduitsche Joden maakten gebruik van een gesticht dat door de Portugesche Joodsche gemeente in 1719 was daargesteld, maar in 1744 bij bNote 158 · Om den lezer eenigermate een denkbeeld te geven van de uiterlijke gedaante der stad, hopen wij een paar platen te geven, waarin Paramaribo iNote 159 · Notulen Gouverneur en Raden, 11 Junij 1748. ↑Note 160 · Recueil echte stukken, 2e deel, blz. 517. ↑Note 161 · Wel was dit bij placaten verboden, doch de overtreding derzelven kon moeijelijk nagegaan worden; o. a. was bij Resolutie, 24 Dec. 1745 bepaaNote 162 · Dichtlievende uitspanning, blz. 167, ook medegedeeld door Teenstra, De landbouw in Suriname, 2de bld. 151. Sypensteyn. J. J. Mauricius, blz.Note 163 · Creool is de algemeene benaming van de in de kolonie geborenen.—Zoo vindt men blanke Creolen d. i. afstammelingen van Europesche ouders; gekNote 164 · Journaal Mauricius, 7 Mei 1749. ↑Note 165 · Journaal Mauricius, 15 en 16 Nov. 1740—10 Feb. 1751 enz. benevens de notulen over deze zaak. ↑Note 166 · Notulen, 24 Dec. 1745 enz. ↑Note 167 · Channing. ↑Note 168 · Als een bewijs van het lage peil der zedelijkheid verhaalt Stedman, die eenige jaren later in 1776 in Suriname vertoefde, dat dezelfde vrouwNote 169 · Alzoo wordt de slaaf genaamd, die met de verzorging der zieken is belast. Zie F. A. Kuhn, M. D. Beschouwing van den toestand der SurinaamschNote 170 · Mauricius, zie bladz. 13. ↑Note 171 · Een eigenlijk kerkgebouw bezaten de Hervormden in Paramaribo niet. Sedert de aankomst van Ds. Baseliers in 1668 tot den aanvang dezer eeuw, Note 172 · Reeds in 1691 was deze gemeente in het bezit van een eigen predikant, namelijk Ds. Klei. ↑Note 173 · In de bijlagen zullen wij de naamlijsten der Nederd. en Fransche predikanten, benevens die der later opgerigte Luthersche gemeenten, laten vNote 174 · Niemand ergere zich aan dit woord, het kwam in alle officieele stukken alzoo voor, en was eene in dien tijd geijkte uitdrukking. ↑Note 175 · Dit Conventus kwam eenmaal in het jaar, in de maand Februarij, te Paramaribo tezamen. De predikanten en ouderlingen—zoo der stadsgemeente alNote 176 · Journaal van Mauricius, 17 Februarij 1748. ↑Note 177 · Notulen Mei 1733, October 1733 enz. ↑Note 178 · Notulen, 21 Mei 1733. ↑Note 179 · Later was hij als predikant te Stevenswaard werkzaam. “West-Indië, van Schaïck, Hervormde Kerk 1e jaarg. p. 86.” ↑Note 180 · Ds. Duvoisin had kort vóór de ontvangst van dezen brief reeds zijne betrekking nedergelegd. ↑Note 181 · Journaal Mauricius. ↑Note 182 · Journaal Mauricius. ↑Note 183 · Not. G. en R. ↑Note 184 · Not. G. en R. ↑Note 185 · De vertaling was reeds door zijn zoon geschied.—Recueil 2 d. bl. 4. ↑Note 186 · Recueil 2 dl. bijl. 110. ↑Note 187 · De Heer zij gedankt, dat de Hernhutters niet zoo oordeelden, want dan verkeerde de bevolking in Suriname nog bijna geheel in de magt des HeiNote 188 · Journaal Mauricius, 4 April 1746. ↑Note 189 · Genoemde Jan Ark. ↑Note 190 · Zie Notulen, 3 Mei 1743. ↑Note 191 · Zij schijnen het hiermede echter niet zeer gelukkig getroffen te hebben; spoedig ontstond er oneenigheid tusschen den predikant, den kerkeraNote 192 · Hartsinck, 2e deel, bladz. 891. ↑Note 193 · Notulen van Gouverneur en Raden, 9 December 1745. Schetsreekening of Calculatie, waeruyt het Tantum aan den heer Fiscaal toe te leggen, mitsNote 194 · Recueil echte stukken, 1e deel, bl. 4 enz. ↑Note 195 · In de notulen van 28 Febr. 1746 wordt ook gewag gemaakt van een voorstel van den Gouverneur om eene algemeene Landkaart te laten maken. ↑Note 196 · Journaal van Mauricius, 8 Maart 1746. Na eene inspectie der nieuwe fortres deelt hij zijn oordeel daarover mede met deze woorden: “In ’t gehNote 197 · Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname bl. 32; Sypesteyn, J. J. Mauricius, bl. 32. Hartsinck, 2e deel, bl. 729–39; bij den laatsten schrijver Note 198 · Notulen van Gouv. en Raden, 25 en 26 Aug. 1744. ↑Note 199 · Journaal van Mauricius, 5 Feb. 1745. ↑Note 200 · Als een staaltje van de wijze, waarop de publieke opinie in Suriname zich bij dergelijke gelegenheden openbaarde, zie notulen 4 Mei 1744. “BNote 201 · Journaal van Mauricius, 14 Dec. 1746. ↑Note 202 · Journaal van Mauricius, 3 April 1748. ↑Note 203 · Scherping was secretaris van het hof; hij stond alzoo onmiddellijk onder den gouverneur. ↑Note 204 · Zij huwde in December 1721 te Paramaribo met Hendrik Temming, die na het overlijden van Jean Coutier, den 10den Oct. 1721 tot Gouverneur-GenNote 205 · Journaal Mauricius, 6 Febr. 1744.—Ook Sypesteyn deelt deze bijzonderheid mede. ↑Note 206 · Notulen, 16 Mei 1748 enz. ↑Note 207 · Journaal Mauricius, 6 Junij 1748. ↑Note 208 · Kapitein der Artillerie, anders geen vriend van Mauricius. ↑Note 209 · De negotie van Indiaansche of roode slaven was een voordeel aan de betrekking van Gouverneur verbonden. Daarvoor hadden de Gouverneurs zoogeNote 210 · Journaal Mauricius, 13 Aug. 1743. ↑Note 211 · Journaal Mauricius, 27 Dec. 1749. ↑Note 212 · Journaal Mauricius, 26 Maart 1749. ↑Note 213 · Journaal Mauricius, 8 Julij 1849 onder hevige koortsen uit. 24 Julij 1749. De ziekten onder de Zwitsers nemen toe, ook de ontevredenheid en Note 214 · Journaal Mauricius, 13 Nov. 1743. ↑Note 215 · Journaal Mauricius, 8 Jan. 1745.—Bij deze gelegenheid drong Mauricius zeer aan op het uit Nederland doen overkomen van brandpalen. Zie blad.Note 216 · Journaal Mauricius, 13 Nov. 23 Nov. 25 Nov. 1, 2, 12 Dec. 1746. ↑Note 217 · In 1797 in Februarij, ontstond er weder een boschbrand, die met afwisselende hevigheid woedende, eerst in April door den aanhoudende regen tNote 218 · Notulen, 28 Feb. 1744. ↑Note 219 · Zie Notulen, 18 Feb. 1745. ↑Note 220 · Notulen, 4 Julij 1747. ↑Note 221 · Journaal van Mauricius, 22 Julij 1748. ↑Note 222 · 1 Mei 1749 werd door G. en R. verzoek gedaan tot het oprigten van een kas voor de wegloopers. ↑Note 223 · Zie Notulen, 19 Dec. 1747. ↑Note 224 · Zie bldz. 147 enz. ↑Note 225 · Recueil 4 d. bl. 98 enz. ↑Note 226 · Recueil 4e. deel, bldz. 347. ↑Note 227 · Journaal van Mauricius, 24 Dec. 1750. ↑Note 228 · Dit adres is vervolgens door HH. Commissarissen aan H. K. H. Prinses Anna (Willem de 4e was inmiddels overleden) overgegeven, die daarop berNote 229 · Journaal van Mauricius van 11, 12, 13 April 1751. ↑Note 230 · Volgens Journaal van Mauricius van 5 en 6 April 1751, waren genoemde heeren door den Commandeur, uit naam der HH. Commissarissen, geadverteeNote 231 · Op de Vries was de Cabale zeer verbitterd en moest hij alzoo het veld ruimen. ↑Note 232 · De benoeming van Pichot tot Prov. Fiscaal is nimmer door Directeuren erkend. ↑Note 233 · Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1751. ↑Note 234 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Mei 1731. ↑Note 235 · Notulen van Gouverneur en Raden, 28 en 29 Julij 1731. ↑Note 236 · De Raad Fiscaal deed hiervan in de vergadering van het Hof mededeeling, waarop dit voor het vervolg streng verboden werd. ↑Note 237 · Historische proeve 2e. deel, bladz. 135. ↑Note 238 · Notulen G. en R.—12 en 16 Mei 1751. ↑Note 239 · Eerst in 1754 kwam deze regeling tot stand en werd deze onder den naam “Ascamoth” door H.H.M. en de prinses Gouvernante en de Directeuren deNote 240 · Notulen G. R., 15 Mei 1731. ↑Note 241 · Notulen G. R., 8 Julij 1732. Deze notulen zijn hier zeer belangrijk. ↑Note 242 · Notulen, 3 Sept. 1731. ↑Note 243 · Notulen van Gouv. en Raden, 16 Feb. 1752. ↑Note 244 · Vóór dit Hoofdstuk ten einde is, zullen wij hier reeds op terugkomen. ↑Note 245 · Later ging dit huis aan de familie Marselis Hartsinck over. ↑Note 246 · Daar de Notulen van Gouvern. en Raden, anders zoo volledig der maand November 1751 ontbreken, kan dit plan der negotiatie door mij niet in zNote 247 · De rente werd door Deutz gesteld op 6 percent. (Sypesteyn, bladz. 40.) ↑Note 248 · De beschrijving dezer lijkstaatsie vindt men in de Notulen van Gouverneur en Raden van den 8sten September 1752 en wordt ook door van SypensNote 249 · Zie Notulen Gouverneur en Raden van 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 September 1752. Journaal van Crommelin van 5, 6, 7 en 8 September 1752 en Note 250 · Journaal van Crommelin van 2 Februarij 1753. ↑Note 251 · Verschuer overleed reeds den 17den Mei 1753. ↑Note 252 · Journaal van Crommelin, van 4 Febr. 1753. ↑Note 253 · Journaal van Crommelin, van 5 Febr. 1759. ↑Note 254 · Notulen van Gouverneur en Raden, 13 Februarij 1753. ↑Note 255 · Notulen van Gouverneur en Raden, 1, 6 en 7 Maart 1753. ↑Note 256 · Notulen van het Hof van Civiele Justitie, 10 April 1753. ↑Note 257 · Notulen idem, 22 Mei 1753. ↑Note 258 · Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Maart 1753. ↑Note 259 · Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1753. ↑Note 260 · Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Mei 1753. ↑Note 261 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 April 1753. ↑Note 262 · Notulen van Gouverneur en Raden, 19 Maart, 22 en 24 Mei 1753. ↑Note 263 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Aug. 1753. ↑Note 264 · Notulen van Gouverneur en Raden, 23 Aug. 1753. ↑Note 265 · Journaal van Crommelin van 1 Mei 1753. ↑Note 266 · Journaal van Crommelin van 6 Mei 1753. ↑Note 267 · Journaal van Crommelin, 11 Mei 1753. ↑Note 268 · Notulen Gouverneur en Raden, 5 en 6 Julij 1753. ↑Note 269 · Journaal van Crommelin, 27 September 1753. ↑Note 270 · Journaal van Crommelin, 4 Julij 1753. Notulen Gouverneur en Raden, 4 Julij 1753. ↑Note 271 · Journaal van Crommelin 11 Julij 1753. Jonkh. van Sypensteyn—in zijn “Mr. J. J. Mauricius,” bladz. 117 en 118, vermeldt, dat zoowel de FiscaaNote 272 · Eene der meest beruchte cabalisten, Mevrouw de Wed. Duvoisin, overleed den 6 Aug. 1753.—Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1753. ↑Note 273 · Notulen, Gouverneur en Raden, 29 Oct. 1753, Journaal van Crommelin, van den zelfden dag. ↑Note 274 · Alléén Strübe was van de oude raden op nieuw gekozen. ↑Note 275 · Zie bijlage. ↑Note 276 · Notulen Gouverneur en Raden, 6 Nov. 1753. ↑Note 277 · In de meeste werken, en zelfs in eenige Staatsstukken wordt er steeds van 600 man staatsche troepen gesproken, die met de Commissarissen medNote 278 · Notulen Gouverneur en Raden, 24 Junij 1754. ↑Note 279 · Als eene der laatste stuiptrekkingen van de cabale wordt nog vermeld dat een harer bekende aanvoerders, de heer Jan David Cellier, zich bij Note 280 · Notulen Gouverneur en Raden, 24 October, 4 Nov., 9 Nov., 10 Dec., 11 Dec 1754 en 20 Februarij 1755. ↑Note 281 · Deze moeijelijkheden herhaalden zich telkens; het verschil over de verdediging der kolonie was eene bron waaruit onophoudelijk twist en tweeNote 282 · Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Aug. 1755 bijlage Not. 30 Aug. 1755 enz. ↑Note 283 · Notulen Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1756. ↑Note 284 · Notulen Gouverneur en Raden, 23 Dec. 1755. ↑Note 285 · Notulen, 6 Aug. 1754. ↑Note 286 · Journaal van der Meer, 11 Dec. 1754. ↑Note 287 · Notulen, 6 en 26 Maart 1755 bijlage Notulen van 6 Maart No. 15 Mei 1755 enz. ↑Note 288 · Notulen Gouverneur en Raden en bijlagen van 15 Mei, 3, 4, 12, 13 Junij 12 en 18 Aug. 17 Sept., 7, 24 October 1755, 24 Januarij 1756 enz. enzNote 289 · Journaal van van der Meer, Januarij 1755. ↑Note 290 · Notulen Gouverneur en Raden, 27 Febr., 13 Junij en 9 Oct. 1755, 8 Oct., 5 Julij en 23 Julij 1756, bij deze laatstgenoemde notulen vindt men Note 291 · Journaal van van der Meer, 18 Dec. 1755. ↑Note 292 · Acta van het Conventus Deputatorum 26 Mei 1757. ↑Note 293 · Bij de behandeling der zendingszaak vermelden wij een en ander uitvoeriger. ↑Note 294 · Notulen G. en R., 31 Aug. 1756. ↑Note 295 · Notulen G. en R., 17 Dec. 1756. ↑Note 296 · Not. G. en R., 23 Dec. 1756. ↑Note 297 · Not. G. en R., 7 Sept. en 24 Dec. 1756. ↑Note 298 · Notulen G. en R., 27 en 28 Dec. 1756, 7 Februarij 1757. Journaal v. Crommelin, 18, 21 en 23 Jan. ↑Note 299 · Not. G. en R., 8 Februarij 1757. ↑Note 300 · Notulen G. en R., 7, 10, 20 Maart April en Mei 1757. ↑Note 301 · Bijlage der Notulen, 26 Mei 1757. ↑Note 302 · Notulen G. en R., 15 Sept. 1757. ↑Note 303 · In 1761 werden zij door de heeren J. L. van Son en D. F. Dandiran vervangen. (Not. G. en R., 20 Aug. 1761). ↑Note 304 · Journaal Crommelin, 12 en 17 Jan. 1758. Bijlage van Not. G. en R., 25 Julij 1758. ↑Note 305 · In 1765 en 66 vermenigvuldigden zich de verkoopingen en het onder sequestratie brengen van plantaadjes van wege het kantoor Marselis. ↑Note 306 · Notulen, 8 Febr. 1764.—Volgens besluit van het Hof, 19 Febr. 1767, mogten o. a. de voordeeligste katoenboomen bij waardeering niet hooger daNote 307 · Zekere Johannes Bock, die 32 jaren in Suriname had gewoond en daarna, zoo voor eigene zaken als in het belang dezer zaak, naar Nederland wasNote 308 · Notulen van G. en R. van 13 Febr. 1764 en van 4 Febr. 1765. ↑Note 309 · Notulen van Gouverneur en Raden van 25 Januarij 1736. ↑Note 310 · Notulen van Gouverneur en Raden van 27 Maart 1761. ↑Note 311 · Notulen van 19 Mei 1761. Hartsinck, 2de deel, bladz. 857 en 858. Bij dezen schrijver vindt men ook eene afbeelding van dit kaartengeld, dochNote 312 · Zie notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums. ↑Note 313 · Notulen Gouverneur en Raden, 20 Februarij 1765. ↑Note 314 · Notulen Gouverneur en Raden, 3 Dec. 1765. ↑Note 315 · Notulen, 8 Mei 1764. Wegens gebrek aan muntspeciën werden Directeuren verzocht ƒ 6000 aan stuivers, ƒ 2000 aan duiten te zenden en tevens aaNote 316 · Not. G. en R., 23 Aug. 1765. ↑Note 317 · Notulen G. en R. 23 Maart 1767. ↑Note 318 · Zie bldz. 251. ↑Note 319 · Notulen van Gouverneur en Raden van 26 Junij 1760. ↑Note 320 · Notulen van Gouverneur en Raden van 27 en 28 Junij 1760. ↑Note 321 · Een voorstel van Crommelin, om op het pad weder een schout te plaatsen, werd door de Raden afgewezen. Notulen, 17 Febr. 1762. Doch des niettNote 322 · Reeds vroeger had Crommelin voorgesteld, om die gehate extra-ordinaire belasting te verminderen; (zie Notulen, 17 Nov. 1758) terwijl uit de Note 323 · Notulen van G. en R. van 4 en 8 Dec. 1760 en 3 Febr. 1761. ↑Note 324 · Notulen van G. en R. van 14 Junij en 14 Julij 1762. ↑Note 325 · Notulen Gouverneur en Raden, 19 Feb. 1763. ↑Note 326 · Notulen G. en R., 20 Dec. 1763. ↑Note 327 · Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1765. ↑Note 328 · Journaal van Crommelin, 29 Oct. 1766. ↑Note 329 · Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767. ↑Note 330 · Journaal van Crommelin, 9 Dec. 1767. ↑Note 331 · Journaal van Crommelin, 11 Aug. 1768. ↑Note 332 · Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.— Bij de blijvende moeijelijkheid om predikanten te verkrijgen, werd in December 1768 besloNote 333 · Notulen G. en R., 2 Junij 1758, 28 Oct. 1759, 12 Aug. 1765, 10 Mei 1768, 4 Mei 1769, 11 1769 tot 14 Mei 1770 enz., enz. ↑Note 334 · Notulen van Gouverneur en Raden van 28 Februarij 1759 en 8 Februarij 1762. ↑Note 335 · Notulen van Gouverneur en Raden van 20 Augustus 1761 en 9 Februarij 1762. ↑Note 336 · Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Mei 1768. ↑Note 337 · Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Mei en 13 Augustus 1760 enz. ↑Note 338 · Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Februarij 1764. ↑Note 339 · Journaal van Crommelin van 19 April 1763. Notulen van Gouverneur en Raden van 2 Mei 1763. ↑Note 340 · Zie hierover bladz. 170–80. ↑Note 341 · Notulen van Gouverneur en Raden van 23 Mei 1763. ↑Note 342 · Notulen van Gouverneur en Raden van 7 Augustus 1764. ↑Note 343 · Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Augustus 1766 enz. ↑Note 344 · Notulen van Gouverneur en Raden van 6 December 1764, 22 Augustus en 5 October 1766. ↑Note 345 · Journaal van Crommelin van 10 September 1767. ↑Note 346 · Zie bladz. 219–20. ↑Note 347 · In 1767 kwamen in Suriname wel verontrustende tijdingen uit Nederland over geheime voornemens, welke men vermoedde dat Engeland koesterde, oNote 348 · De Engelsche schippers waren dan ook immer verpligt om paarden aan te voeren; de Engelsche schipper die geene paarden aanbragt moest, zonderNote 349 · Notulen van Gouverneur en Raden van 2 April 1760. ↑Note 350 · Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Junij 1764. ↑Note 351 · Notulen van Gouverneur en Raden van 10 December 1764. ↑Note 352 · De Deserteurs werden naar Holland gezonden. Wederzijdsche uitlevering van gevlugte slaven had wel van tijd tot tijd plaats doch deze zaak waNote 353 · Eene gansch niet onbelangrijke mededeeling omtrent die mislukte kolonisatie vindt men in het Tijdschrift “Onze Tijd” Jaargang 1859. Afl. JanNote 354 · Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1766. ↑Note 355 · Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1763 en 5 Julij 1763, enz. ↑Note 356 · Als eene bijzonderheid deelen wij het tarief mede, volgens hetwelk de soldaten die naar de Berbices gingen, bij verlies van een of meerdere Note 357 · Journaal van Crommelin 20 en 26 December 1757, 22 Augustus 1760, enz. ↑Note 358 · Over de woekerwinsten der vettewariers kwamen meermalen klagten. Zij kochten zooveel mogelijk alles op en dwongen daardoor de markt. Het HofNote 359 · Journaal van Crommelin 28 November 1757 en 2 Januarij 1758. ↑Note 360 · Journaal van Crommelin 23 December 1758 en 3 September 1760. ↑Note 361 · Journaal van de Meer, 9 Maart 1756. Journaal,,van,, Crommelin, 13 November 1767. Zie verder over dezen hatelijken handel, bladz. 218. ↑Note 362 · Zie bladz. 153–160. ↑Note 363 · Notulen, Gouverneur en Raden, 12 Februarij 1762. ↑Note 364 · Notulen Gouverneur en Raden, 5 Aug. 1767. Omtrent die zending vindt men aldaar vermeld: dat er weder drie Moravische broeders waren aangekomNote 365 · Hartinck, 2e deel, bladz. 812. Notulen Gouverneur en Raden, 2 November, 6 November 1766, 29 Januarij, 22 Junij 1767, enz. ↑Note 366 · Meermalen verhuurden de boschnegers zich tot veldarbeid op de plantaadjes. Verscheidene meesters echter weigerden later het door hen bedongeNote 367 · Notulen van Gouverneur en Raden, 3 December 1764. Nog dikwijls wordt in de notulen van deze jongelingen melding gemaakt. Een derzelve JeboacNote 368 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1762. ↑Note 369 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij en 12 September 1757. ↑Note 370 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Julij 1757. ↑Note 371 · In December 1757 had zij op haar ingediend verzoek scheiding van tafel, bed en bijwoning van haren man verkregen. Notulen van Gouverneur en Note 372 · Notulen van Gouverneur en Raden van 11 Sept. 1759. ↑Note 373 · Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761. ↑Note 374 · Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761. ↑Note 375 · Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Augustus 1761. ↑Note 376 · Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Augustus 1761. ↑Note 377 · Notulen van Gouverneur en Raden van 15 Julij 1762. ↑Note 378 · Notulen van Gouverneur en Raden van 1 September 1762. ↑Note 379 · Deze manier word eertijds meêr in Suriname gevolgd, zie o. a. “Beschrijvinge van de Volkplantingen in Zuriname” door J. D. H. L. te LeeuwardNote 380 · Notulen van Gouverneur en Raden van 16 en 18 Dec. 1762. ↑Note 381 · Notulen van Gouverneur en Raden van 31 Augustus 1762. ↑Note 382 · Notulen van Gouverneur en Raden van 29 September 1762. ↑Note 383 · Notulen van Gouverneur en Raden van 11 September 1760. ↑Note 384 · Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Mei 1767. ↑Note 385 · Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Mei 1763. ↑Note 386 · Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1758, 20 October 1760 en 28 December 1765 enz. ↑Note 387 · Notulen van Gouverneur en Raden van 5 September 1765. Om eenigzins een denkbeeld te kunnen maken van de groote kosten dier commando’s, zie mNote 388 · Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. ↑Note 389 · Notulen van Gouverneur en Raden van 16 December 1762. Uit aanmerking van de hooge prijzen, die in Nederland voor de suiker, cacao en katoen Note 390 · Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. ↑Note 391 · Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Nov. 1768. Crommelin beklaagde zich in zijne afscheidsrede met bitterheid over deze omstandigheid, enNote 392 · Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769 enz. ↑Note 393 · Journaal van Nepveu, 25 November 1768 enz. ↑Note 394 · Journaal van Nepveu, 23 November 1768. ↑Note 395 · Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769. ↑Note 396 · Journaal van Nepveu, 11 Mei 1770. Crommelin scheepte zich met zijne vrouw en twee dochters den 11 Mei 1770 in, en verliet eenige dagen laterNote 397 · Journaal van Nepveu, 8 Maart 1770. ↑Note 398 · Journaal van Nepveu, 9 Maart 1770. ↑Note 399 · Journaal van Nepveu, 16 Maart 1770. ↑Note 400 · Journaal van Nepveu, 12–15 October 1770. ↑Note 401 · Journaal van Nepveu, 15 November 1772. Een groot feest had o. a. plaats toen de tijding in de kolonie kwam dat Prins Willem V een zoon, onzeNote 402 · Journaal van Nepveu, 13 December 1769 en vervolgens, zie ook bladz. 275. ↑Note 403 · Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1771. ↑Note 404 · Journaal van Nepveu, 9 Februarij 1769. De Fransche Gouverneur van Martinique, d’Ennery, bezocht met een gevolg van 24 officieren in 1769 SurNote 405 · Beide zijn gezegden van Nepveu, zie Journaal van Nepveu, 28 Sept. 1770 en Notulen van Gouverneur en Raden van 7 April 1774. ↑Note 406 · Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. Aan dit werk ontleenen wij verscheidene, elders niet geboekte bijzonderheden, van dien ontstanen fiNote 407 · Historische proeve, 1e deel, bladz. 156. ↑Note 408 · Historische proeve, 1e deel, bladz. 157. ↑Note 409 · Notulen van Gouverneur en Raden van 19 Augustus 1771. Zekere A. Geselschap pleegde falsiteit in het verbinden en verhypothekeren zijner eigeNote 410 · In 1765 werden gekeurd 21506 oxhoofden suiker, in 1773 slechts 16486. ↑Note 411 · Journaal van Nepveu, 27 Julij 1769. De slaven, laatst aangebragt door kapitein J. Boeque op den 18 gemeld, zijn meest verkocht tot ƒ 650; zoNote 412 · Journaal van Nepveu, 26 April 1771. ↑Note 413 · Journaal van Nepveu, 24 April 1770. ↑Note 414 · Journaal van Nepveu, 29 April 1771. ↑Note 415 · Historische proeve, 1e deel, bladz. 157. ↑Note 416 · Notulen van Gouverneur en Raden van 10 Augustus 1769. ↑Note 417 · Journaal van Nepveu, 6 December 1769. ↑Note 418 · Notulen van Gouverneur en Raden van 12 Augustus 1771. ↑Note 419 · De kosten der regtspleging enz. waren inderdaad ongehoord; als een klein bewijs diene o. a. het volgende: voor het doen van één exploit, oveNote 420 · Dat besluit was genomen tijdens het bestuur van den Gouverneur Gerard van der Schepper, wanneer men om finantiële moeijelijkheden, reeds ondNote 421 · Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Augustus 1773. ↑Note 422 · Van dit vrijcorps zullen wij later melding maken. ↑Note 423 · Zie Notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums. ↑Note 424 · Notulen van Gouv. en Raden, 10 Maart 1774 en 6 April 1774. ↑Note 425 · Notulen van Gouverneur en Raden, 7 April 1774. ↑Note 426 · Volgens de schrijvers der Historische proeve—zie 1e deel, bladz. 163—werden er in 1786 slechts 80 à 90 eigenaars van plantaadjes in SurinameNote 427 · Sypensteyn, bladz. 24. ↑Note 428 · Historische proeve, 1e deel, bladz. 164 en 169. ↑Note 429 · Reeds gaven wij hiervan eenige bewijzen bij de beschrijving der regering van Mauricius, van Spörche en Crommelin. Wij zouden die tot een groNote 430 · Dit werd echter door de directeuren der Sociëteit tegengehouden. ↑Note 431 · Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en 1773. Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773. ↑Note 432 · Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1772. ↑Note 433 · Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Feb. 1774. De gegijzelde moest aan den kastelein voor kosten betalen:Note 434 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Aug. 1772. ↑Note 435 · Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Feb. 1774. ↑Note 436 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 en 17 Mei 1774. ↑Note 437 · Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Mei 1774. ↑Note 438 · Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1774. Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Aug. 1774. ↑Note 439 · In Februarij 1764 had zekere C. P. van Brabant verzocht tot den huwelijken staat te worden aangeteekend met eene Elisabeth Samson, eene rijkNote 440 · Journaal van Nepveu, 19 Feb. 1773. ↑Note 441 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Feb. 1774. ↑Note 442 · Historische proeve 1e deel, bladz. 181. ↑Note 443 · Journaal van Nepveu, 18 en 22 Julij en 4 Aug. 1769. ↑Note 444 · Journaal van Nepveu, 5 Junij 1770. Directeuren hadden reeds vroeger in 1768 zekeren timmerman, J. M. Augerstein, een octrooi van 6 jaren verNote 445 · Wij konden hiervan uit de officieele stukken een lang relaas geven, maar het zou eene gedurige herhaling zijn van zelfde feiten, die wij reeNote 446 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Feb. 1770. De versterking der militaire posten was zeer noodig—want zij, die van weinig manschappen voorNote 447 · Over het daarstellen van dit Cordon komen wij weder later terug. ↑Note 448 · Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en 22 Mei 1772. ↑Note 449 · Notulen, Gouv. en Raden, 6 Mei 1772 en 18 Februarij 1773. ↑Note 450 · Volgens Notulen van Gouv. en Raden, 3 Mei 1773 en 4 Junij 1773, blijkt, dat, sedert men had opgehouden aan de soldaten dram te geven, ziekteNote 451 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 April 1772. Op 9 buiten posten alleen lagen 145 soldaten. ↑Note 452 · De premiën op het dooden of vangen van weggeloopen slaven gesteld, zouden evenzeer door hen genoten worden. ↑Note 453 · Journaal van Nepveu, 15 Julij 1772, Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Julij 1772. Twee der 116 slaven voor het vrijcorps werden door de eiNote 454 · Notulen van Gouverneur en Raden, 3 Aug. 1773 en 26 Aug. 1773, 8 slaven werden geschat op ƒ 10,000 en 190 dito op ƒ 227,955. ↑Note 455 · Somwijlen werd voor een tijd het opperbevel aan een, hooger in rang staande, officier opgedragen: zoo voerde o. a. de kapitein luitenant FreNote 456 · Op deze muts stond het volgnummer van hun corps; later bekwamen zij eene groene montering. ↑Note 457 · Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1777. Deze uitspraak is ontleend aan eene door den Raad Fiscaal ingeleverde memorie van het Hof van Note 458 · Men vindt in de Notulen enkele gevallen van leden van het vrijcorps, die, om verzuim in de dienst, weder tot den staat der slavernij werden Note 459 · Meermalen werd ook door hen verzoek gedaan om uit de krijgsdienst te worden ontslagen en werd hun dit verzoek toegestaan, mits betalende de Note 460 · Ook hiervan worden verscheidene bijzonderheden in de Notulen gevonden. ↑Note 461 · De obligatiën waren verdeeld als volgt:Note 462 · Notulen van Gouverneur en Raden van 18 October 1773, en 20 Mei 1774, enz. ↑Note 463 · Notulen van Gouverneur en Raden van 30 Augustus 1774. ↑Note 464 · Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Januarij en 5 Februarij 1773. ↑Note 465 · Teenstra. De Landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel, bladz. 43. ↑Note 466 · Journaal van Nepveu, 20 Februarij 1771. ↑Note 467 · Notulen van Gouverneur en Raden, 20 Dec. 1770. Journaal van Nepveu, 10 Januarij 1771. Zie ook bladzijde 319. ↑Note 468 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Maart 1771. Journaal van Nepveu, 14 Maart 1771. ↑Note 469 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij, 16 Sept. 1771, enz. Journaal van Nepveu, 10 Junij, 3 en 5 Julij 1771, enz. ↑Note 470 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij 1771, enz. ↑Note 471 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1771. “Meer en meer loopen de slaven weg, nemen hunne geweren mede en voegen zich bij de bende Note 472 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij 1772. 16 Aug., enz. Journaal van Nepveu. ↑Note 473 · Stedman, reize naar Suriname, 1e deel, bladz. 117 en 18. ↑Note 474 · Ook Stedman verhaalt deze en andere bijzonderheden, die wij echter, soms bijna woordelijk, overnemen, uit het uitnemend geschreven boekske: Note 475 · J. Herman de Ridder, Een levensteeken op een dooden veld, bladz. 16–17. ↑Note 476 · Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Sept. 1771. Journaal van Nepveu, 22 Sept. 1771. ↑Note 477 · Notulen van Gouverneur en Raden, 13 October 1771. Journaal van Nepveu, 13 October 1771. ↑Note 478 · Zie Notulen van Gouverneur en Raden van November, December 1771, enz. enz. ↑Note 479 · Journaal van Nepveu, 22 October 1771. ↑Note 480 · Journaal van Nepveu, 16 November 1771. ↑Note 481 · Notulen van Gouverneur en Raden, 7 December 1771, 27 Julij 1772 en Journaal van Nepveu, 7 December 1771. ↑Note 482 · Journaal van Nepveu, 1 Januarij, 27 Januarij en 4 Junij 1772. Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij en 16 Augustus 1772, enz. ↑Note 483 · Journaal van Nepveu, 19 Januarij 1772. Die neger ontvlugtte later uit de boeijen. ↑Note 484 · Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Mei 1772. Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, bladz. 113, enz. ↑Note 485 · Journaal van Nepveu, 15 Junij 1772. ↑Note 486 · Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Julij 1771. Journaal van Nepveu, 9 Julij 1771. ↑Note 487 · Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1772. Notulen van Gouverneur en Raden, 10 Aug. 1772. ↑Note 488 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Sept. 1772. Journaal van Nepveu, 25 Sept. 1777. ↑Note 489 · Journaal van Nepveu, 27 Sept. 1772. ↑Note 490 · Journaal van Nepveu, 26 Sept. 1772. ↑Note 491 · Journaal van Nepveu, 7 Oct. 1772. ↑Note 492 · Journaal van Nepveu, 26 Oct. 1772. ↑Note 493 · Journaal van Nepveu, 2 en 9 Dec. 1772. ↑Note 494 · Journaal van Nepveu, 11 Dec. 1772. ↑Note 495 · Journaal van Nepveu 27 Dec. 1772. ↑Note 496 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1773. ↑Note 497 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij, 31 Januarij en 5 en 9 Febr. 1773. Journaal van Nepveu, 27 Januarij en 2, 4, 8 en 9 Febr. 1773.Note 498 · Journaal van Nepveu, 19 Julij 1773. Fourgeoud wenschte zijn volk naar de buitenposten te zenden: “alsoo se aan Paramaribo door Debauches vryNote 499 · Notulen van Gouverneur en Raden, 1 Maart 1773. ↑Note 500 · Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Maart 1773. ↑Note 501 · Journaal van Nepveu, 6 April 1773. ↑Note 502 · Men vindt in de Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Maart 1773 eene door de posthouders bij de beide stammen opgemaakte begrooting van hetNote 503 · Notulen van Gouverneur en Raden, 10 April 1773. ↑Note 504 · Notulen van Gouverneur en Raden, 19 en 20 April en 3 Mei 1773, enz. ↑Note 505 · Notulen van Gouverneur en Raden, 4 en 8 Junij 1773. ↑Note 506 · Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Mei 1773. ↑Note 507 · Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773. Stedman. Reizen naar Surinamen, 1e deel, bladz. 153 en 154. ↑Note 508 · Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Journaal van Nepveu, 14 Junij 1773. ↑Note 509 · Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Stedman, 1e. deel, bladz. 155 en 56, 304 enz. ↑Note 510 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Junij 1773. ↑Note 511 · Journaal van Nepveu, 17 Junij 1773. ↑Note 512 · Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Junij 1773. ↑Note 513 · Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1773. ↑Note 514 · Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Junij 1772. ↑Note 515 · Stedman, 1ste deel blz. 303. ↑Note 516 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Sept. 1773. Journaal van Nepveu, 12 Sept., 18 en 30 Oct. 1773. ↑Note 517 · Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Nov., 13 Dec. 1773 en 16 Januarij 1774. Journaal van Nepveu, 18 en 30 Oct. 1773 en 17 Januarij 1774. ↑Note 518 · Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 249 en 50. ↑Note 519 · Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 250 en 51. ↑Note 520 · Dergelijke hutten werden van de dikste takken der Manicola-boom gebouwd; met een sabel of bijl vormde men sommigen tot hoekpalen, anderen toNote 521 · Gedurig vindt men in het Journaal van Nepveu scherpe aanmerkingen over de dwaasheid van Fourgeoud, “die door in de regentijd in het bosch teNote 522 · Journaal van Nepveu, 6 Januarij, 30 Januarij, 1 Februarij, 2 Februarij, 6 Februarij 1775 enz. ↑Note 523 · Journaal van Nepveu, 30 Januarij en 10 Februarij 1775. ↑Note 524 · Stedman zinspeelt hier op een voorval, dat veel overeenkomst had met dat, hetgeen de afdeeling onder de Luitenant Leppert was overkomen. ↑Note 525 · Deze Matakys, ook trompetters genaamd, wijl zij even als dat instrument gedraaid zijn, verheffen zich uit den grond tot eene onmetelijke lenNote 526 · Fourgeoud had in het eerst weinig met dit vrijkorps op, doch erkende later het groote nut, dat zij in de boschtogten bewezen. Stedman acht eNote 527 · De namen van de dorpen der Marrons waren: Boucou (tot stof vervallen), Gado Saby (God alleen kent my), Corsary (kom zoo gij durft), Tessy syNote 528 · Stedman, reizen naar Suriname, 3e deel, bladz. 1–51. ↑Note 529 · Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Dec. 1775, 26 Februarij, 8 Maart, 19 Aug., 27 Aug. 1776 enz. ↑Note 530 · Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Oct. 1776 enz. ↑Note 531 · Journaal van Nepveu, 26 Julij 1776. Nepveu voegt na deze mededeeling er het volgende bij: “Zij moesten hoezee roepen, maar hadden er niet veNote 532 · Journaal van Nepveu, 6 December 1776. Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Dec. 1775. ↑Note 533 · Notulen van Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1772. ↑Note 534 · Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Mei 1777. Zie verder Notulen, 23 Dec. 1776, 13 en 31 Januarij, 4 Februarij en 9 Mei 1776 enz. ↑Note 535 · Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Mei 1777. ↑Note 536 · Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Februarij 1777. ↑Note 537 · Journaal van Nepveu, 1 April 1777. Slechts een gedeelte, niet het geheele aantal der troepen, zooals Sypensteyn abusivelijk op bladz. 40 verNote 538 · Journaal van Nepveu, 16 en 18 Julij, 13 Aug. 1777 enz. ↑Note 539 · Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Julij, 6 Aug. en 18 Aug. 1777 enz. ↑Note 540 · Notulen van Gouverneur en Raden, 26 Julij 1777. ↑Note 541 · Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Februarij 1778. ↑Note 542 · Notulen van Gouverneur en Raden, van 1 Januarij 1778. ↑Note 543 · Stedman, reize naar Suriname, 4e deel, bladz. 47. ↑Note 544 · Journaal van Nepveu, 1 April 1778. Notulen van Gouverneur en Raden, 4 April 1779. ↑Note 545 · Fourgeoud overleed kort na zijne terugkomst in Holland, en werd met alle krijgseer in den Haag begraven. ↑Note 546 · Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777. ↑Note 547 · Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777. ↑Note 548 · Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777. ↑Note 549 · Notulen van Gouverneur en Raden, 8 December 1777. ↑Note 550 · Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Febr. 1778. ↑Note 551 · Journaal van Nepveu, 4 Junij 1778. ↑Note 552 · Journaal van Nepveu, 17 April en 28 Septemb. 1779, enz. ↑Note 553 · Journaal van Nepveu, 13 Junij 1778. ↑Note 554 · Journaal van Nepveu, 17 Junij 1778. ↑Note 555 · Journaal van Nepveu, 4 Junij, 21 Julij, 14 Octob., 27 Decemb. 1778, enz. ↑Note 556 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij 1779. ↑Note 557 · Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41. ↑Note 558 · Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Febr. 1779. Journaal van Texier, 28 Febr. 1779. ↑Note 559 · Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41. ↑Note 560 · Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Nov. 1779. Journaal van Texier, 12 Nov. 1779. ↑Note 561 · Journaal van Texier, 19 Junij, 23 Julij, 31 Augustus, 25 October, 10 November 1779, enz., enz., enz. ↑Note 562 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 December 1779. ↑Note 563 · Journaal van Texier, 12 October, 31 October, 24 December 1779, enz. ↑Note 564 · Journaal van Texier, 31 October 1779. ↑Note 565 · Journaal van Texier, 18 Januarij 1780. ↑Note 566 · Journaal van Texier, 6 Januarij 1781. ↑Note 567 · Journaal van Texier, 15 Maart 1781. ↑Note 568 · Journaal van Texier, 2 September 1779. ↑Note 569 · Journaal van Texier, 3 September 1779. ↑Note 570 · Journaal van Texier, 23 October 1779. ↑Note 571 · Journaal van Texier, 3 September 1779. ↑Note 572 · Journaal van Texier, 25 Junij en 5 Julij 1779. ↑Note 573 · Journaal van Texier, 22 en 29 Maart, 11 Julij 1779, 6 Febr., 10 Maart 1780, enz., enz. ↑Note 574 · Journaal van Texier, 7 December 1779. ↑Note 575 · Journaal van Texier, 8 December 1779. ↑Note 576 · Journaal van Texier, 6 Maart 1781. ↑Note 577 · Journaal van Texier, 6 en 7 Maart 1780. ↑Note 578 · Journaal van Texier, 23 Maart 1780. Dikwijls gebeurde het dat de stuurlieden, die voor het eerst Suriname bezochten, deze dwaling begingen, Note 579 · Journaal van Texier, 5 Junij 1780. De kapitein van een tot assistentie gepreste Bark, leverde eene rekening van daghuur: 50 dagen à ƒ 100 enNote 580 · Journaal van Texier, 9 Mei 1780. ↑Note 581 · Journaal van Texier, 13 Januarij 1781. ↑Note 582 · Journaal van Texier, 6 Maart 1781. De Engelsche schippers en een Engelsch koopman, die zich op een dier vaartuigen bevond, verzochten weldraNote 583 · Journaal van Texier, 6 Maart 1781. ↑Note 584 · Journaal van Texier, 7 Maart 1781. In de sociëteits-magazijnen was slechts 30,000 pond kanonkruid en 7000 pond fijn kruid voorhanden, doch vNote 585 · Journaal van Texier, 9 Maart 1781. ↑Note 586 · Journaal van Texier, 9 Maart 1781. ↑Note 587 · Journaal van Texier, 10 Maart 1781. ↑Note 588 · Journaal van Texier, 15 en 30 Maart 1781. ↑Note 589 · Journaal van Texier, 17 Maart 1781. ↑Note 590 · Journaal van Texier, 19 Maart 1781. ↑Note 591 · Journaal van Texier, 28 Augustus 1781. ↑Note 592 · Journaal van Texier, 16 en 28 Julij 1781. ↑Note 593 · Journaal van Texier, 22 Maart 1781. ↑Note 594 · Journaal van Texier, 4 April 1781, notulen van Gouverneur en Raden zelfde datum. ↑Note 595 · Journaal van Texier, 7 April 1781. ↑Note 596 · Journaal van Texier, 11 April 1781. ↑Note 597 · Journaal van Texier, 28 April 1781. ↑Note 598 · Journaal van Texier, 12 April 1781. ↑Note 599 · Journaal van Texier, 10 en 14 Mei 1781, notulen van Gouverneur en Raden zelfde datum. ↑Note 600 · Journaal van Texier, 21 Augustus 1781. ↑Note 601 · Journaal van Texier, 27 Julij 1781. ↑Note 602 · Journaal van Texier, 8 April 1781. ↑Note 603 · Journaal van Texier, 10 April 1781. ↑Note 604 · Journaal van Texier, 7 en 28 April, 3—10, 18 Mei, 5 Junij. 4, 6, 10 en 17 Julij 1781, enz. enz. ↑Note 605 · De beide kapiteins der oorlogsschepen en de majoor Friderici boden echter aan eene herovering te beproeven; hun den Gouverneur voorgelegd plNote 606 · Journaal van Texier, 16 en 17 Mei 1781. ↑Note 607 · Journaal van Texier, 18 Julij 1781. ↑Note 608 · Journaal van Texier, 20 Augustus 1781. ↑Note 609 · Journaal van Texier, 18 Junij 1781. ↑Note 610 · Journaal van Texier, 20 Augustus 1781. ↑Note 611 · Journaal van Texier, 10 Junij 1781. ↑Note 612 · Journaal van Texier, 6 September 1781. ↑Note 613 · Journaal van Texier, 28 Julij 1781. ↑Note 614 · Journaal van Texier, 12 September, 18 October 1781. ↑Note 615 · Journaal van Texier, 5 September 1781. Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Augustus 1781 enz. enz. ↑Note 616 · Notulen Gouverneur en Raden, 1, 7 en 19 Junij 1781. Journaal van Texier, zelfde datums. ↑Note 617 · Journaal van Texier, 24 December 1781, van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 3de deel, bladz. 286, 87. ↑Note 618 · Journaal van Texier, 22, 23, 24, 25 en 26 Januarij 1782. ↑Note 619 · Journaal van Texier, 31 Januarij 1782. ↑Note 620 · Journaal van Texier, 6 Maart 1782. Spoedig (14 April) ontving Texier nieuwe tijding uit Berbice; men meldde van daar, dat de handelwijze derNote 621 · Journaal van Texier, 3 October 1780. ↑Note 622 · Journaal van Texier, 28 en 30 October, 11, 15 en 16 Nov. 1781. ↑Note 623 · Journaal van Texier, 23 Januarij 1782. ↑Note 624 · Journaal van Texier, 3 April 1782. ↑Note 625 · Journaal van Texier, 12 en 17 Mei 1782. ↑Note 626 · Journaal van Texier, 10 Junij 1781. Die zoogenaamde Lettres de Marque, waren min of meer gewapende koopvaardijschepen, aan wie door den staaNote 627 · Journaal van Texier, 14 September 1782. ↑Note 628 · Journaal van Texier, 10 April 1782. ↑Note 629 · Journaal van Texier, 24 en 25 Julij 1782. ↑Note 630 · Journaal van Texier, 12 Julij 1782. ↑Note 631 · Journaal van Texier, 12 Julij 1782. ↑Note 632 · Journaal van Texier, 26 en 27 October 1782. ↑Note 633 · Journaal van Texier. ↑Note 634 · Journaal van Texier, 5 en 11 Februarij 1783. ↑Note 635 · Journaal van Texier, 3 Maart 1783. ↑Note 636 · Journaal van Texier, 20 en 21 Maart 1783. ↑Note 637 · Journaal van Texier, 21 Augustus 1783. ↑Note 638 · De vredes-preliminairen werden van onze zijde eerst den 2den Sept. 1783 geteekend en het vredestraktaat den 20sten Mei 1784. Zie over dat voNote 639 · Journaal van Texier, 13 Julij 1783. ↑Note 640 · Journaal van Texier, 13 Julij 1783. ↑Note 641 · Journaal van Texier, 4 Januarij 1780. ↑Note 642 · Journaal van Texier, 29 Junij 1781. ↑Note 643 · Journaal van Texier, 2 Februarij 1780; Historische proeve 2e deel pag. 68. ↑Note 644 · Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1780, 18 Mei, 8 Augustus 1781, 21 Februarij 1782, enz. enz. ↑Note 645 · Journaal van Texier, 7 April 1779. ↑Note 646 · Journaal van Texier, 27 September, 24 November 1782, enz. enz. ↑Note 647 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 September 1783. ↑Note 648 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 en 26 September 1783. ↑Note 649 · Notulen van Gouverneur en Raden, 15 December 1784. ↑Note 650 · Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Februarij 1785. ↑Note 651 · Journaal van Beeldsnijder Matroos, 8 April 1784. ↑Note 652 · Notulen van Gouverneur en Raden, 1 Maart 1784. ↑Note 653 · Notulen van Gouverneur en Raden, 31 Augustus 1784. ↑Note 654 · In October 1783 werd o. a., volgens opgaaf van den ontvanger Morgues; uit de ijzeren kist ten zijnen huize aan kaartengeld en obligatiën vooNote 655 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Februarij 1784. ↑Note 656 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 October 1783. ↑Note 657 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 November 1783. Journaal van Beeldsnijder Matroos, 25 November 1783. ↑Note 658 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 November 1784. ↑Note 659 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 November en 1 December 1783. Journaal van Beeldsnijder Matroos, 27 November 1783. ↑Note 660 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Augustus 1784. ↑Note 661 · Notulen van Gouverneur en Raden, 23 Augustus 1784. ↑Note 662 · Men vindt hieromtrent soms treffende bijzonderheden in de notulen vermeld. ↑Note 663 · Zie bladz. 319. ↑Note 664 · Historische proeve 2de deel, blad 46, 47. ↑Note 665 · Notulen Gouverneur en Raden, 18 December 1783. ↑Note 666 · Notulen van Gouverneur en Raden, 10 September 1784. ↑Note 667 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 October 1783, enz. Journaal van Beeldsnijder Matroos, 8 November 1783 enz. ↑Note 668 · Notulen van Gouverneur en Raden, 8 en 29 November 1784. ↑Note 669 · Notulen van Gouverneur en Raden, 10 Maart 1784, enz. ↑Note 670 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Mei 1784, enz. ↑Note 671 · Notulen van Gouverneur en Raden, 8 November 1784. ↑Note 672 · Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Augustus 1784. ↑Note 673 · Journaal van Beeldsnijder Matroos, 3 Maart 1784. ↑Note 674 · Notulen van Gouverneur en Raden, 9 December 1784. ↑Note 675 · M. D. Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 1ste deel, blz. 52. ↑Note 676 · Historische proeve, 1ste deel, bladz. 183 en 193. ↑Note 677 · Journaal van Beeldsnijder Matroos, 9 December 1784. ↑Note 678 · Journaal van Beeldsnijder Matroos, 1, 22 en 23 December 1784, Notulen van Gouverneur en Raden, 23 en 24 December 1784. ↑Note 679 · Notulen van Gouverneur en Raden, 24 December 1784. Directeuren der Sociëteit erkenden ook zijne verdiensten door hem in 1785 tot ontvanger dNote 680 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1788. ↑Note 681 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Maart 1786. ↑Note 682 · Van Schaick. Geschiedenis der Hervormde Kerk, bladz. 84. ↑Note 683 · Van Schaick. Geschiedenis der Hervormde Kerk, bladz. 86. ↑Note 684 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1788. ↑Note 685 · Journaal van Wichers, 1 Februarij 1785. ↑Note 686 · Journaal van Wichers, 1 Februarij 1783. ↑Note 687 · Notulen van Gouverneur en Raden, 8 Maart 1786 en 15 December 1789. ↑Note 688 · Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Augustus 1786. ↑Note 689 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 December 1789. ↑Note 690 · Bij het feest van het 25 jarig bestaan der gemeente, op zondag 22 November 1767, werd de plegtigheid besloten met een prachtig kerkmuzijk enNote 691 · Van deze obligatiën werden er later verscheidene aan de kerk geschonken. Anderen werden soms nog vele jaren daarna ter voldoening gepresenteNote 692 · Den 16den Julij 1793 werd eindelijk door den Kerkeraad het besluit genomen: de plantaadje voor de schuld aan den heer M. Broen over te gevenNote 693 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Mei 1788. ↑Note 694 · Journaal van Wichers, 17 September 1788. Het meeste van het hier omtrent de Luthersche gemeente medegedeelde is (soms woordelijk teruggegeveNote 695 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Februarij 1785. ↑Note 696 · Zie nader hieromtrent de hoofdstukken, die meer bepaald over de zendingszaak handelen. ↑Note 697 · Deze nieuwe titel was hun eenige jaren te voren door H. H. M. verleend. ↑Note 698 · Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Februarij 1785. ↑Note 699 · Notulen van Gouverneur en Raden, 21 December 1785. ↑Note 700 · Historische proeve 2de deel, bladz. 18 en 19. ↑Note 701 · Historische proeve, 2de deel, bladz. 18, 19. Journaal van Wichers, 10 November 1787. ↑Note 702 · Notulen van Gouverneur en Raden, 15 December 1788. ↑Note 703 · Zie bladz. 313 en 14. ↑Note 704 · Zie bladz. 231 en 32. ↑Note 705 · Historische proeve, 1ste deel, bladz. 195. ↑Note 706 · Bijlage 23 van de Historische proeve, 2de deel, bladz. 151. ↑Note 707 · Historische proeve, 1ste deel, bladz. 195 en 96. ↑Note 708 · Teenstra. De Negerslaven in de kolonie Suriname, bladz. 335. Beschrijving van de plechtigheden nevens de lofdichten en gebeden, uitgesprokenNote 709 · Historische proeve, 2de Deel, bladz. 47, 48. ↑Note 710 · Historische proeve, 2de deel, bladz. 21, 22. ↑Note 711 · Historische proeve, 1ste deel, bladz. 185. ↑Note 712 · Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Februarij en 3 December 1787. ↑Note 713 · Historische proeve, 2de deel, bladz. 20, 21. ↑Note 714 · Historische proeve, 2de deel, bladz. 71. ↑Note 715 · Historische proeve, 2de Deel, bladz. 69. ↑Note 716 · Historische proeve, 1ste Deel, bladz. 194–05; 2de Deel, bladz. 142–150. ↑Note 717 · Historische proeve, 2de Deel, bladz. 70. ↑Note 718 · Het was eene navolging der in het laatst der achttiende eeuw in Nederland alom ontstane dichtkundige genootschappen, die door Mr. Jacob van Note 719 · Historische proeve, 2e deel, blad 70. ↑Note 720 · Notulen Gouverneur en Raden, 11 Maart 1786, bijlage Acta Conventus van 16 Februarij 1786. ↑Note 721 · Notulen Gouverneur en Raden, 12 Maart 1787. ↑Note 722 · Historische proeve, 2de Deel, bladz. 78. ↑Note 723 · Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Maart 1785. ↑Note 724 · Journaal van Wichers, 11 Januarij 1783. ↑Note 725 · Journaal van Wichers, 26 Januarij 1789. ↑Note 726 · Zie bladz. 431. ↑Note 727 · Teenstra. Landbouw in Suriname, 2de deel, bladz. 103. ↑Note 728 · Journaal van Wichers, 18 Februarij 1790. ↑Note 729 · P. T. Roos. Surinaamsche mengelpoëzij bladz. 201–6. Als gevolg dier klagten werd, volgens placaat van H. H. M. van 24 Nov. 1789 de neger- ofNote 730 · Notulen Gouverneur en Raden, 23 Februarij 1786. ↑Note 731 · Notulen Gouverneur en Raden, 12 Januarij 1789. ↑Note 732 · Notulen Gouverneur en Raden, 21 December 1785. Teenstra de landbouw, 2e deel, bladz. 100, geeft op een getal van 1119 huizen, volgens opgaveNote 733 · Teenstra, De landbouw in Suriname, 2e deel, bladz. 103. Sypensteyn, beschrijving van Suriname, bladz. 82. In 1799 echter werd dit Combé het Note 734 · Teenstra, 2e deel, bladz. 110. Sypensteyn, bladz. 82. ↑Note 735 · Notulen Gouverneur en Raden, 10 Augustus 1785. ↑Note 736 · Notulen Gouverneur en Raden, 9 Augustus 1786. ↑Note 737 · Notulen Gouverneur en Raden, 28 Augustus 1786. ↑Note 738 · Notulen Gouverneur en Raden, 17 en 18 Mei 1790. ↑Note 739 · Notulen Gouverneur en Raden, 16 en 19 Augustus 28 December 1790. Teenstra, De Landbouw in Suriname, 1e Deel, bladz. 53. Den 21sten December Note 740 · C. F. Roos, Surinaamsche Mengelpoëzij, bladz. 297. ↑Note 741 · C. F. Roos, Surinaamsche Mengelpoëzij, bladz. 197–98. ↑Note 742 · Journaal van Wichers, 4 Junij 1785. ↑Note 743 · Notulen Gouverneur en Raden, 20 Augustus 1787. ↑Note 744 · Reeds deze straf was zeer zwaar. Zelfs op commando gezonden negers (dus geene misdadigers) werden door soldaten en officieren soms zoo mishaNote 745 · Notulen Gouverneur en Raden, 4 Augustus 1788. ↑Note 746 · Notulen Gouverneur en Raden, 13 October 1785. De plantaadje ’s Hertogenbosch werd door de Marrons afgeloopen, de Directeur vermoord, het wooNote 747 · Notulen Gouverneur en Raden, 11 December 1786. ↑Note 748 · Notulen Gouverneur en Raden, 22 Augustus 1786. ↑Note 749 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Febr. en 3 Maart 1788. ↑Note 750 · Notulen Gouverneur en Raden, 12 Augustus 1790. Hoewel gezegd besluit twee maanden na het vertrek van Wichers genomen werd, gehoort het echteNote 751 · Notulen Gouverneur en Raden, 20 Februarij 1786. ↑Note 752 · Notulen Gouverneur en Raden, 28 Augustus 1788. ↑Note 753 · Notulen Gouverneur en Raden, 12 Maart 1789. ↑Note 754 · Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Maart 1790: Bonni eischte “100 Fransche piasters, 25 pullen dram, 2 stukken platielje, 1 stuk voor neusdoNote 755 · Notulen van Gouverneur en Raden, 29 December 1785. ↑Note 756 · Tot nog voor weinige jaren leefde er in Suriname leden van het vrijcorps, die onder Friderici hadden gediend en zijne dapperheid, regtvaardiNote 757 · Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Junij 1789. ↑Note 758 · Journaal van Wichers, 10 November 1789. ↑Note 759 · Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Mei 1790. Journaal van Wichers, 21 Mei 1790. P. F. Roos, Surinaamsche mengelpoëzy—de overwinning van AroNote 760 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Mei 1787. ↑Note 761 · Zie o. a. bladz. 373. ↑Note 762 · Stedman’s reize naar Surinamen, 4de deel, bladz. 2–6. ↑Note 763 · Teenstra. De landbouw in Suriname, 1ste deel, bladz. 53. Journaal van Wichers, 10 November 1785. ↑Note 764 · Journaal van Beeldsnijder Matroos, 22 November 1784. Journaal van Wichers, 21 Julij 1787. ↑Note 765 · Notulen van Gouverneur en Raden, 8 Augustus 1785. Journaal van Wichers, 9 en 14 Augustus 1785. ↑Note 766 · Notulen van Gouverneur en Raden, 15 December 1788. ↑Note 767 · Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Mei 1785. ↑Note 768 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1788. ↑Note 769 · Notulen van Gouverneur en Raden, 3 Maart 1788. ↑Note 770 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 November 1788. ↑Note 771 · Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Augustus 1789. ↑Note 772 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Mei 1790. De betrekking van Commandeur was, sedert de Commandeur Texier tot Gouverneur benoemd werd, onvNote 773 · Journaal van Friderici, 13 en 14 Julij 1790. ↑Note 774 · Journaal van Friderici, 8 Maart 1792. ↑Note 775 · Journaal van Friderici, 7 en 24 Augustus 1792. ↑Note 776 · Journaal van Friderici, 31 Augustus 1792. ↑Note 777 · In 1790 werden gekeurd 20,201 okshoofden suiker, in 1791 21310, in 1792 15244, in 1793 15084½. Jaarlijks voeren er tusschen de 70 à 80 grootNote 778 · Journaal van Friderici, 14, 15 en 17 October, 1 November 1791, 26 Januarij, 29 Junij 1792, enz. enz. ↑Note 779 · Journaal van Friderici, 29 Junij 1792. ↑Note 780 · Teenstra, de Landbouw in Suriname, 1e deel, bladz. 45.—Surinaamsche Staatkundige Almanak van Brown, voor 1793, blad 6. ↑Note 781 · Journaal van Friderici, 12 Januarij 1791. Friderici wil uit een slavenschip eenige negers voor de Directie koopen, doch daar de schipper ze Note 782 · Journaal van Friderici, 1 Januarij 1792. ↑Note 783 · Journaal van Friderici, 24 December 1791, 26 Maart, 7 April, 29 Mei 1792, enz. ↑Note 784 · Friderici had een ontwerp van een vredesverdrag bij het Hof ingediend; het Hof had zich hiermede in hoofdzaak vereenigd; Directeuren wenschtNote 785 · Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Julij 1790. Journaal van Friderici, 1 Maart 1791, enz. ↑Note 786 · Journaal van Friderici, 15 Augustus 1792. ↑Note 787 · Bijlagen, rakende Buiten- en Binnenlandsche defensie, 20 Februarij 1793. ↑Note 788 · Bijlagen, rakende Buiten- en Binnenlandsche defensie, 26 Maart 1793. ↑Note 789 · In 1790–91 en 92 zijn door de Aucaners afgebragt, door Bonni uitgeleverd of krijgsgevangen gemaakt 145 wegloopers, doodgeschoten 24, vrijwilNote 790 · Extra ordinaire Notulen van Gouverneur en Raden, rakende de Binnen- en Buitenlandsche defensie 27 Maart 1792. ↑Note 791 · Idem idem, 10 April 1792 Journaal van Friderici, 18 April 1792. ↑Note 792 · Journaal van Friderici, 4 Julij 1790. ↑Note 793 · Notulen Gouverneur en Raden, 27 Julij 1790. Journaal van Friderici, 2 Augustus 1790. ↑Note 794 · Notulen van Gouverneur en Raden, 28 December 1790. ↑Note 795 · Notulen van Gouverneur en Raden, 12 December 1791. ↑Note 796 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Mei en 14 December 1792. ↑Note 797 · Notulen van Gouverneur en Raden, 14 December 1790. ↑Note 798 · Zie bladz. 410. ↑Note 799 · Notulen Gouverneur en Raden, 16 Augustus 1791. ↑Note 800 · Notulen van Gouverneur en Raden, 28 December 1792. ↑Note 801 · Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Februarij 1793. ↑Note 802 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Julij 1793—23 Mei 1794 enz. ↑Note 803 · Journaal van Friderici, 27 Mei 1791. Notulen van Gouverneur en Raden, 24 December 1790, enz. ↑Note 804 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Januarij 1791. ↑Note 805 · Notulen Gouverneur en Raden, 21 Februarij 1791. ↑Note 806 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 December 1790. ↑Note 807 · Notulen van Gouverneur en Raden, 29 Mei 1793. ↑Note 808 · Notulen van Gouverneur en Raden, 5 September 1794. ↑Note 809 · Extra Notulen, 27 Aug. 1792. ↑Note 810 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie, 27 Augustus, 14 September, 23 October en 3 December 1792. ↑Note 811 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie, 21 Januarij, 8 Februarij en 21 Februarij 1793. ↑Note 812 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 26 Maart 1793. ↑Note 813 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 3 April 1793. ↑Note 814 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 9 Mei 1793. ↑Note 815 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 2 Julij 1793. ↑Note 816 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 9 Julij 1793. ↑Note 817 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 6 September 1793. ↑Note 818 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 10 October 1793. ↑Note 819 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 21 November 1793. ↑Note 820 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 4 Maart 1794. ↑Note 821 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 9 December 1793. ↑Note 822 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 25 Augustus 1794. ↑Note 823 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 9 Mei 1794. Notulen van Gouverneur en Raden, 8 Augustus 1794, enz. enz. ↑Note 824 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 30 Julij 1794. ↑Note 825 · Journaal van Friderici, 28 Junij, 22, 23 en 30 September, 3, 14 en 18 October 1794 enz. Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche dNote 826 · Uit de berigten van latere jaren, toen er neger-opstanden in Cayenne plaats vonden, blijkt echter uit het getuigenis der overheidspersonen, Note 827 · Extra Notulen rakende de Buiten- en Binnenlandsche defensie van 28 April 1794. In de open zee is het later aan het scheepsvolk gelukt de solNote 828 · Dat die vriendschap met de Franschen zoo wel voor Suriname als voor Nederland duur was, zullen wij later zien. ↑Note 829 · Journaal van Friderici van 21 Mei 1795. Missive van Friderici aan H.H. Directeuren en Regeerders van 25 Mei 1795. ↑Note 830 · Sypensteyn deelt in zijn werk: Beschrijving van Suriname, bladz. 45 mede: “Den 13den Augustus 1799 bragt de Gouverneur in den Raad eenen briNote 831 · Missive van Friderici aan H.H. Directeuren en Regeerders van 25 Mei 1795. ↑Note 832 · Over den brief van Prins Willem den 5den zijn uitvoerige discussiën geweest. De vergadering der Provis. representanten van het volk van HollNote 833 · Missive van Cointet aan Friderici, 5 Ventose an 4 de la republique une et indivisible. Cointet erkent zelf in dezen brief dat de opstand derNote 834 · Notulen van Gouverneur en Raden van 8 Julij 1795. ↑Note 835 · Notulen van Gouverneur en Raden van 3 Augustus 1795. ↑Note 836 · Journaal van Friderici van 7 Julij, 10, 15, 17 en 25 Augustus, 8 September, 15 October, 5, 10 en 27 November, 30 December 1795. Missives vanNote 837 · Missive van Friderici aan H.H. Directeuren en Regeerders van 12 Augustus 1795. ↑Note 838 · Notulen van Gouverneur en Raden van 8 Julij 1795. ↑Note 839 · Notulen van Gouverneur en Raden, 10 Julij 1795. Journaal van Friderici, 10 Julij 1795. ↑Note 840 · Notulen van Gouverneur en Raden, 20 Julij, 26 Augustus 1795. Journaal van Friderici, 20 Julij, 26 en 27 Augustus 1795. ↑Note 841 · Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Augustus 1795. ↑Note 842 · Journaal van Friderici, 31 Augustus en 8 September 1795. ↑Note 843 · Journaal van Friderici, 31 Augustus 1795. ↑Note 844 · Journaal van Friderici, 18, 19 Julij en 22 September 1795. ↑Note 845 · Journaal van Friderici, 22 September 1795. Missive van Friderici aan H.H. Directeuren, 26 September 1797. ↑Note 846 · Journaal van Friderici, 26 October 1795. Notulen van Gouverneur en Raden, 7 November 1795. Missive aan den Franschen gezant. ↑Note 847 · A. Vereul was ook lid geweest der Edele Sociëteit. ↑Note 848 · Extract uit het Register der Resolutiën van de H. H. M. Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden den 9 October 1795. Vele dier aangevoerdNote 849 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 en 20 Mei 1796. Journaal van Friderici, 17 en 20 Mei 1796. ↑Note 850 · Notulen van Gouverneur en Raden, 3 Junij 1796. Journaal van Friderici, 3 Junij 1796. ↑Note 851 · Journaal van Friderici, 28 Januarij 1796. Aanschrijving van Friderici aan genoemde drukkers, 20 Januarij 1796. ↑Note 852 · Journaal van Friderici, 1 Mei 1796. Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Mei en 17 Augustus 1796. ↑Note 853 · Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Mei 1796. ↑Note 854 · Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Mei 1796. ↑Note 855 · Aanspraak bij de opening der eerste zitting van het Committé en uitgesproken door deszelfs voorzitter Abraham Vereul, in ’s Hage, 2 NovemberNote 856 · Notulen Gouverneur en Raden, 20 Mei en 1 Junij 1796. Journaal van Friderici, 1 Junij 1796. ↑Note 857 · Journaal van Friderici, 18 Julij, 1 en 18 Augustus 1796. ↑Note 858 · Journaal van Friderici, 12 Augustus 1796. Missive van Friderici aan het Committé dato 8 Junij 1796. ↑Note 859 · Journaal van Friderici, 5 September 1796. ↑Note 860 · Notulen van Gouverneur en Raden, 22 November 1796. ↑Note 861 · Missive van Friderici aan het Committé, 2 December 1796. ↑Note 862 · Notulen Gouverneur en Raden, 6 Junij 1797. ↑Note 863 · Missive van Friderici aan het Committé, 2 December 1796. Notulen, 31 Aug., 11 en 12 October 1796 enz enz. ↑Note 864 · Journaal van Friderici, 19 Februarij 1798. Docher moest eene latere beleediging boeten met ƒ 12.000 en de kosten enz. Zie notulen 29 Mei 179Note 865 · Journaal van Friderici, 27 Julij 1797. ↑Note 866 · Journaal van Friderici, 19 Februarij 1798. ↑Note 867 · Journaal van Friderici, 12 Mei 1798. ↑Note 868 · Journaal van Friderici, 12 en 21 Junij 1798. Missives van Jeannet, 20 Prairial, Art. 6 de la republique Française. Friderici, 22 Junij 1798.Note 869 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Mei 1798. ↑Note 870 · Missives van Friderici en Hartsinck, Junij 1798. ↑Note 871 · Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Mei 1798, 11 Februarij 1799, enz. enz. ↑Note 872 · Notulen van Gouverneur en Raden, 23 April 1799. ↑Note 873 · Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Mei 1799. ↑Note 874 · Extra notulen rakende de Binnen- en Buitenlandsche defensie, 8 Februarij 1799. Missive van Friderici aan het Committé, 16 April 1799. ↑Note 875 · Journaal van Friderici, 15 Februarij 1799. Extra notulen rakende de Binnen- en Buitenlandsche defensie, 18 en 22 Februarij 1799. ↑Note 876 · Missive van Friderici aan het Committé van 31 Januarij 1799. ↑Note 877 · Missive van Friderici aan het Committé van 22 Junij 1799. ↑Note 878 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie van 14, 16 en 17 Augustus 1799. Notulen van den grooten krijgsraad van 16 AugustNote 879 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie van 20, 21 en 22 Augustus 1799. Notulen van Gouverneur en Raden van 26 Augustus Note 880 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie van 26 Augustus 1799. ↑Note 881 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie, 2 September 1799. ↑Note 882 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie, 22 Augustus, 23 September en 24 October 1799. ↑Note 883 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie, 28 Januarij en 12 Februarij 1800. ↑Note 884 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie, 4 Mei 1801. Notulen van Gouverneur en Raden. ↑Note 885 · Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Dec. 1800 en 20 Jan. 1801. ↑Note 886 · Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Maart 1800. ↑Note 887 · Notulen van Gouverneur en Raden, 12 December 1800 en 23 Januarij 1801. ↑Note 888 · Notulen van Gouverneur en Raden, 8 Januarij 1801. ↑Note 889 · Notulen van Gouverneur en Raden, 26 en 28 Februarij 1800 en 2 Februarij 1801. ↑Note 890 · Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Maart 1800. ↑Note 891 · Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Junij 1800. ↑Note 892 · Extra Notulen rakende de binnen- en buitenlandsche defensie, 4 Mei 1801. ↑Note 893 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Augustus 1801. ↑Note 894 · Notulen van Gouverneur en Raden, 26 Augustus 1801. Een Engelsch regiment was in de plaats van het Royal Dutch bataillon gekomen. ↑Note 895 · Notulen van Gouverneur en Raden, 13 Januarij 1802. ↑Note 896 · Notulen van Gouverneur en Raden, 20 December 1799. ↑Note 897 · Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Augustus 1801. ↑Note 898 · Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Augustus en 18 September 1799. ↑Note 899 · Notulen van Gouverneur en Raden, 1 December 1800, enz. ↑Note 900 · Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Februarij 1801. Publicatie van 16 Februarij 1801. ↑Note 901 · Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Mei 1800. ↑Note 902 · Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Augustus 1801. ↑Note 903 · Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Dec. 1799 en 11 Maart 1800. ↑Note 904 · Notulen van Gouverneur en Raden, 26 Augustus 1801. ↑Note 905 · Notulen van Gouverneur en Raden, 4 November 1801. ↑Note 906 · Notulen van Gouverneur en Raden, 18 December 1801. ↑Note 907 · Journaal van het Provisioneele bewind, 3 December 1802. Missives van Blois van Treslong aan den Raad der Coloniën, 9 Dec. 1802. ↑Note 908 · Missive van Blois van Treslong aan den Raad van Coloniën, 9 Dec. 1802. ↑Note 909 · Teenstra. De Landbouw in Suriname, 1ste deel, bladz. 52. Bij den brand van 1821 werd ook dit gedenkteeken eene prooi der groote verwoesting.Note 910 · Journaal van het Provisioneel bewind, 4 en 6 December 1802. ↑Note 911 · Journaal van het Provisioneel bewind, 6, 14 en 15 December 1802 enz. ↑Note 912 · Missive van het Provisioneel bewind aan den Raad der Coloniën, 9 Januarij 1803 en bijlagen daartoe behoorende enz. ↑Note 913 · Missive van het Provisioneel bewind aan den Raad der Coloniën, 8 Maart 1803. ↑Note 914 · Omtrent die uitgifte van gronden werd echter door het Prov. bewind aangemerkt, dat door het daarmede in verband staande openkappen van het bNote 915 · Journaal van het Provisioneel bewind, 11 Januarij 1803. ↑Note 916 · Missive van Batenburg aan het Provisioneel bewind, 17 Febr. 1803. ↑Note 917 · Journaal van het Provisioneel bewind, 30 December 1802. ↑Note 918 · Missive van Berranger, 28 December 1803. ↑Note 919 · Missive van Berranger aan den Raad van coloniën, 10 Maart 1804. ↑Note 920 · Teenstra, de Landbouw in de Kolonie Suriname, 1ste deel blad 58. ↑Note 921 · Publicatie, 19 December 1803. ↑Note 922 · Missive van Berranger aan den Raad van coloniën, 10 Maart 1804. ↑Note 923 · Publicatie, 21 April 1804. ↑Note 924 · Publicatie, 6 Januarij 1804. ↑Note 925 · Missive van Berranger, 10 Maart 1804. ↑Note 926 · Missive van Berranger, 10 Maart 1805. ↑Note 927 · Zekere Hoop, een Surinamer, diende den Engelschen tot gids, zoodat verraad het zijne bijbragt om de kolonie in vijands hand te leveren. MissNote 928 · Missive van Berranger aan Batenburg, 30 April 1804. ↑Note 929 · Missive van Berranger aan den Raad van coloniën van 12 Mei 1804, en verdere volumieuse officieele bescheiden betreffende deze overgave. ↑Note 930 · Suriname genoot na het eindigen van den oorlog met Engeland eene betrekkelijke rust. Daar er echter eenige vrees voor het uitbreken van vijaNote 931 · Van die betrekkelijke rust werd dan ook door Wichers gebruik gemaakt, om door gepaste maatregelen de cultuur te bevorderen en den gezondheidNote 932 · Een landbouwkundig genootschap, dat in Suriname werd opgerigt, genoot zeer de gunst en bescherming van den Gouverneur. Hij woonde soms deszeNote 933 · Echter ging de landbouw niet vooruit; vele plantaadjes werden verlaten: door gebrek aan de benoodigde slavenmagt, waarover bittere klagten wNote 934 · Gedurig werden plantaadjes voor schuld aan den hypotheekhouder verkocht en telkens vindt men in de notulen gewag gemaakt van aanzoeken tot hNote 935 · In 1789 en 90 rees de waarde der producten. De prijs die jaarlijks werd vastgesteld, waarvan de 5 pCt. belasting moest worden betaald, was iNote 936 · Gingen de plantaadjes achteruit, de stad Paramaribo nam echter voor het uiterlijke zeer in bloei toe. Bij een plan tot straatverlichting, inNote 937 · Wichers liet het Gouvernementshuis verfraaijen en van eene beneden galerij voorzien734; doch openbare gebouwen werden onder zijn bestuur nieNote 938 · De behoefte aan eene inrigting ter verpleging van Boassie-zieken, afgezonderd van alle anderen, was reeds sedert lang in de kolonie gevoeld.Note 939 · Het duurde, niettegenstaande herhaalden drang, nog een geruimen tijd vóór hieraan gevolg werd gegeven. Eindelijk in 1790 bragt de Raad van PNote 940 · Nog in hetzelfde jaar, doch reeds na het vertrek van Wichers, werd een etablissement »Voorzorg” geheeten, in Saramacca, daartoe aangewezen, Note 941 · Werd er alzoo eenige voorziening gebragt in de verzorging der slaven, die aan de Boassie leden, het was minder om hun lot te verzachten, danNote 942 · Wichers wordt door sommige schrijvers (Stedman en andere) geprezen, dat hij ook jegens de slaven menschlievendheid betoonde, doch behalve heNote 943 · Bij mondelinge overeenkomst met de bevredigde boschnegers was bepaald, dat de weggeloopen slaven, die door hen gevangen en aan de regering wNote 944 · Het wegloopen nam evenwel gestadig toe en de aanvallen der Marrons op de plantaadjes herhaalden zich telkens746. De meeste diensten ter beteNote 945 · In 1781, onder den wakkeren Texier, was eene commissie benoemd om: zoo mogelijk maatregelen te beramen, ten einde kinderen, gesproten uit geNote 946 · Zij die door hunne ontvlugting zich zelven de vrijheid hadden verworven; die tot behoud daarvan een strijd met Europesche soldaten niet haddNote 947 · Men hield een wakend oog en het bleef nog eenigen tijd vrij rustig; Bonni verschalkte hen echter. In Augustus 1788 berigtte de Joodsche BurgNote 948 · Vooral dit laatste bragt eene algemeene schrik teweeg; men stelde zich in de kolonie voor, dat Bonni de Merle onder des uitgezochtste martelNote 949 · Wat nu te doen? Bonni vervolgde zijne strooptogten en achtervolgens werden nog drie plantaadjes door hem overvallen. De nood steeg; er moestNote 950 · Friderici, die beter dan iemand anders in staat was over de waarde van het vrijcorps te oordeelen, verwachtte van deszelfs diensten bij eeneNote 951 · Hij stelde voor met gezegd korps offensief te handelen en tot dekking daarvan eene goede militaire post aan de Marowijne te plaatsen. Om denNote 952 · Aan de Marowijne werd een militaire post, uit soldaten en een groot gedeelte van het vrijcorps bestaande, opgerigt. Zoo ver klom de stoutmoeNote 953 · Bonni en zijne mannen hadden hunne dooden en gekwetsten medegevoerd en zich op een der talrijke eilanden in de Marowijne terug getrokken. HeNote 954 · De bekende tegenstander der Marrons, de vrijneger Quassy, was in Mei 1787 in hoogen ouderdom overleden.760 Deze merkwaardige man, die getrouNote 955 · Den 10den November 1785 had de bijzonderheid plaats, dat op de rivier Suriname een eenmast vaartuig arriveerde, met slechts één eenigen persNote 956 · Buitengewone voorvallen als groote branden, zware ziekten, enz. vielen tijdens het bestuur van Wichers niet voor; alleen werd er op den dag Note 957 · Wichers genoot groote eere en onderscheiding van zijne meesters, de Directeuren en Regeerders der Kolonie. Op hun verzoek ook werd door H. HNote 958 · Het departement der weeskamer liet steeds veel te wenschen over. Door verscheidene Gouverneurs waren er wel verbeteringen beproefd, doch zijNote 959 · Wichers verlangde naar eenige ontspanning en misschien ook wel wenschte hij in Holland een en ander nader te bespreken. Hij verzocht verlof Note 960 · Twee dagen later vertrok Wichers naar zijne plantaadje, digt bij Paramaribo; ging den volgende dag den 14 Junij 1790 scheep op het fregatschNote 961 · De gewone eed van getrouwheid werd alzoo wel door de civiele en militaire authoriteiten aan Friderici gedaan, doch de plegtige installatie bNote 962 · Den 7den Augustus deszelfden jaars, de verjaardag van H. K. H. de Princes van Oranje, gaf Friderici op de parade mededeeling van zijne aanstNote 963 · Nog verscheidene dagen lang duurden de feestelijkheden, die eindelijk den 13den Augustus werden besloten met een brillant souper aan het GouNote 964 · Suriname was nog steeds eene belangrijke kolonie: volgens authentieke opgaaf van 1791 telde zij 591 plantaadjes, onder welke 46 waren, die aNote 965 · Zielen. Christenen, Blanken op de plantaadjes 1,080 Blanken,, te Paramaribo 950 Portugesche Joden, op de plantaadjes en Joden Savane 250 in Note 966 · De aanvoer der slaven was in de laatste jaren mede toegenomen, echter werden er steeds hooge prijzen besteed781, want de slavenmagt—zoo zij Note 967 · Hield het wegloopen der slaven nog steeds aan, de vrees voor hunne aanvallen op de plantaadjes was veel verminderd sedert den slag bij AroukNote 968 · Tevens werd besloten om de aan de Marowyne commandeerenden Officier Zegelaar te belasten, om een detachement uit te zenden, ten einde de dooNote 969 · Zoo was dan eindelijk de gevreesde Bonni gedood en de vrees voor de gestadige aanvallen zijner bende geweken. Men achtte zich in Suriname zoNote 970 · Kort na de optrede van Friderici in het bestuur, hadden er geruchten geloopen omtrent vijandelijkheden tusschen Engeland en Spanje. Bij de mNote 971 · Er werd—omdat men geene verbetering te gemoet zag indien het Diaconie-huis onder het beheer van den kerkeraad bleef—besloten, om aan HH. DirNote 972 · Het bestuur werd opgedragen aan vier door het Hof te benoemen regenten; het toezigt berustte bij twee commissarissen (Raden van Policie); deNote 973 · Men was hiertoe zoo veel te eerder nog overgegaan, daar het langzamerhand ook eenigermate het karakter van Gereformeerd diakonie-, wees- en Note 974 · De Katholieken hadden nog geen gevolg gegeven aan hunne belofte in December 1788 gedaan, om, overeenkomstig artikel 3 der voorwaarden op hunNote 975 · In een volgend jaar werd echter op herhaald verzoek op nieuw een jaar uitstel verleend; men zou voortgaan met de Roomsch-Catholieke armen inNote 976 · Hadden de Diaconen door hun slecht beheer oorzaak gegeven, dat de zaak zoo ver was gekomen—zij wilden dit echter niet erkennen en protesteerNote 977 · Het etablissement voor de Boassie-lijders aan de Saramacca, Voorzorg genaamd, voldeed ook vrij goed aan zijne bestemming en telkens werden dNote 978 · Van de betrekkelijke rust in de kolonie wilde Friderici ook gebruik maken, om de kas tegen de wegloopers, waarin een groot te kort was, in bNote 979 · of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven Note 980 · Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar oNote 981 · In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, die nu hNote 982 · Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanNote 983 · Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid811: het berigt dat de koning van FrankNote 984 · Den 6den Mei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de KoNote 985 · In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding per missive van H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebiNote 986 · De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten, zonder Friderici hiervan Note 987 · 2o posteren een gewapend schip bij den mond der Commewijne op de hoogte der redoute Leiden en op ⅓ breedte der rivier Suriname, beneden de rNote 988 · Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6den October van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onderNote 989 · De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot Note 990 · De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der sNote 991 · In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen vNote 992 · Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rNote 993 · Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt tenNote 994 · Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden ondNote 995 · Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van GouvernNote 996 · Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den PrinsNote 997 · Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op DiNote 998 · In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1sten Junij 1795 deed hij, in overeenstNote 999 · Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren.” Zoo spoedig mogelijk Note 1000 · Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies eNote 1001 · De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoo mede dat Friderici van den tNote 1002 · Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatreNote 1003 · Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in dNote 1004 · Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf beNote 1005 · In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eeNote 1006 · Friderici liet toen den 31sten Augustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en deNote 1007 · Den 27sten Augustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31sten Augustus de militaNote 1008 · Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. De officieele tijdingNote 1009 · Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schNote 1010 · Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de FranscNote 1011 · Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12den Mei 1796 het berigt vernam, dat dNote 1012 · »Is goedgevonden en verstaan, enz. enz.848.”Note 1013 · Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van Note 1014 · Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den Note 1015 · Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door HNote 1016 · A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2den November 1795 o. a. de volgende woorden: »DonkereNote 1017 · Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12den Augustus 1796 overleed de man,Note 1018 · Den 5den September 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representNote 1019 · De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden.Note 1020 · Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde, vermeerderden de moeijelNote 1021 · In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door dNote 1022 · Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandsche weldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de MaatschappiNote 1023 · Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindsliedeNote 1024 · De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kNote 1025 · In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking sNote 1026 · Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Note 1027 · Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerd ƒ 342,366 : 9 stuivers, en uit dNote 1028 · Den 22sten Junij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende,Note 1029 · Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen wordNote 1030 · Den 20sten stevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22sten werden de forten overgegeven; dNote 1031 · Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werNote 1032 · Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. inNote 1033 · Hiertoe werd uit de kas der modique lasten ƒ 40,000,— gefourneerd883.Note 1034 · Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van Note 1035 · Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfsNote 1036 · Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van vooNote 1037 · Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknooNote 1038 · In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeNote 1039 · Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden Note 1040 · Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11den December 1799 overleed Ds. de Vos en den 1sten Maart 1800 Ds. GroeNote 1041 · De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie904.Note 1042 · In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van TriNote 1043 · Den 18den December 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvanNote 1044 · Den 2den December werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen vNote 1045 · Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorlNote 1046 · Den 4den December 1802 presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hijNote 1047 · Eenige publicatiën werden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisionNote 1048 · Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen ƒ 418,6Note 1049 · Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, wNote 1050 · De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in MaartNote 1051 · Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer sNote 1052 · In zijne eerste missive aan den Raad der coloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daaNote 1053 · Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdediNote 1054 · Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten aNote 1055 · Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren later wNote 1056 · Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten wareNote 1057 · Den 30sten ontscheepte de vijand zijne manschappen aan de Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici stormenderhaNote 1058 · Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen, eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich af eNote 1059 · Waartegen men rekent, dat het Exploiteurschap zoude opbrengen, grosse mode namelijkNote 1060 · Schetsrekening of Calculatie, om daeruyt te vinden een jaarlijksch bestaan voor een aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder voor beide hoveNote 1061 · Want hij zal genieten:Note 1062 · Volgens de Notulen van 14 December 1745 werd bij de Instructie voor den nieuwen Exploiteur in artikel 29 de declaratiën bepaald. Voor een CiNote 1063 · Vacatie per dag ƒ 10. Copie van gedane Exploit ƒ 4. Arresten Interdict mitsgaders dagvaarding ƒ 7.10. Emolument substituut. Copie met zegel Note 1064 · Een edictaale citatie op ’t zegel van het raadhuis en in de rivieren, alwaar de affectie is, voor ieder ƒ 5. Emolument voor den substituut, Note 1065 · Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Julij 1763. ↑Note 1066 · (Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 8 Februarij 1774). ↑
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings