van 1683 tot 1804. (continued 4)
Reading edition
Vooral sprong hierbij in het oog de hem toegeschrevene deugd van verdraagzaamheid, waarvan hij verscheidene bewijzen gaf. Bij de door de Roomsch-Catholieken toch verzochte vrijheid tot openlijke uitoefening hunner eeredienst, had de stem en voorspraak van Wichers in het Hof grooten invloed op de gereede toestemming van dat verzoek. Ook de Luthersche gemeente wilde hij gaarne in den nood, waarin haar armenkas verkeerde, helpen, en diende haar met goeden raad. Dat die raad, niettegenstaande de Luthersche gemeente dien opvolgde, niet baatte, lag niet aan Wichers, daar de Boekhouder-Generaal niet te bewegen was, om een gunstig advies op haar rekwest om subsidie uit te brengen (zie bladz. 414), en overeenkomstig dit advies werd tegen den wensch van Wichers, genoemd rekwest gewezen van de hand. De Hernhutters en hun arbeid nam Wichers welwillend in bescherming. Den Joden, door onderlinge twisten verdeeld, weigerde hij geene medewerking om hunne instellingen te regelen, en het door hen in hem getoonde vertrouwen beantwoordde hij door met ijver hunne zaken ter hand te nemen en tot een vrij goed einde te brengen.
Die verdraagzaamheid had echter hare grens: streng werd door Wichers de ongodsdienstige strekking van sommigen, gedurende zijne regering, in Suriname uitgekomen, geschriften gegispt en hiertegen maatregelen verordend. In het politieke scheen hij geen wrijving van gedachten te schuwen, want niettegenstaande de reeds vermelde klagt van den Raad-Fiscaal over de Surinaamsche Spectator, vinden wij geene berigten eener nadere vervolging.
De liefde van Wichers voor de fraaije letteren deed hem de daartoe eenigzins in de Kolonie ontwaakten lust aanmoedigen: terwijl de waarheid der bewering: dat hij een kundig en verlicht man was, door zijne andere handelingen, tijdens hij het bewind over Suriname voerde, bevestigd werd.
Dat Wichers òf in het algemeene vooroordeel van dien tijd omtrent de behandeling der slaven deelde, òf dat hij geen zedelijke kracht genoeg had om hier tegen te getuigen, is ons niet volkomen duidelijk. Aan welke oorzaken dit dan moet worden toegeschreven beslissen wij niet; maar zeker is het, dat de vermelding van het volgende, een pijnlijken indruk op vele lezers zal maken:
De geldkwestie heeft steeds ongunstig op de vrijmaking der slaven gewerkt; niet slechts deed zij in het hier genoemde op nieuw onbillijkheden begaan; zij oefende ook een noodlottigen invloed uit op het kwijten eener schuld jegens de kleurlingslaven, welks grootheid men eenigermate had beginnen te gevoelen. De kleurlingslaaf was nog ongelukkiger dan de negerslaaf. Uit gemengd bloed gesproten, van zwakker ligchaamsgestel, was hij voor den zwaren arbeid minder dan de negers geschikt. Viel die arbeid hem zwaar, dubbel pijnlijk troffen hem de vernederingen en beleedigingen, die hij als slaaf moest verdragen; want ook in zijne aderen stroomde het bloed zijner vaderen. En trilde de vader van verontwaardiging bij de geringste aanranding zijner vrijheid; diens kind moest lijden en zwijgen, zelfs de bij grofste schending, en zijn medelotgenoot, de zwarte negerslaaf, beschouwde den kleurlingmakker met wantrouwen.
Het Gouvernement van Suriname besloot op zijne hoede te zijn en trachtte in de eerste plaats het wantrouwen der Aucaners tegen Bonni te vermeerderen, om van die zijde steun te erlangen en ten tweede versterkte men het vrijcorps, om in staat te zijn de gevreesde aanvallen, zoo mogelijk, te keeren.
Ascaan ontving tot loon voor zijn verraad, de vrijheid, onderofficiers-gagie en ƒ 100 douceur.
Hoewel een groot gedeelte van Bonni’s bende ontkwam, was echter zijne kracht gebroken; kommer, ellende en hongersnood waren voortaan het deel zijner mannen. Bonni was niet langer gevaarlijk voor de kolonie.
Behalve de onaangenaamheden hieruit ontstaan, kwamen er ook klagten over de aanmatigingen der door Wichers aangestelde Joodsche Regenten, hetwelk hem mede veel verdriet veroorzaakte.
Uit het medegedeelde zal men de vroeger gemaakte opmerking moeten toestemmen, dat Wichers onmiskenbare verdiensten had en onder de beste Gouverneurs van Suriname kan worden gerekend, doch dat de lof, dat hij tegen de gruwelijke behandeling der slaven, met allen ijver, zou hebben gewaakt, onverdiend was.
Friderici, de dappere Friderici, werd algemeen geacht en door het vrijcorps als een vader bemind. Men zag het alzoo met genoegen, dat bij het vertrek van Wichers, aan Friderici het bestuur der kolonie werd toevertrouwd. Hij aanvaardde dit echter niet onder den gewonen titel van Gouverneur ad Interim, maar als Commandeur die »verder door de Edele Groot Achtbare Heeren Directeuren en Regeerders der opgemelde colonie geauthoriseerd was, omme het Gouvernement, geduurende het verlof van den Gouverneur-Generaal Wichers waar te nemen.”
Nadat men hiervan zekerheid had bekomen, hoopte men dat Friderici definitief als Gouverneur zou worden aangesteld. Die hoop werd niet teleurgesteld.
De gewone feesten als parade, gastmaal, bal enz. bleven niet achterwege; terwijl ook daarenboven het huis van den heer Raad van Policie Stolkert en van andere particulieren inwoners der kolonie, mitsgaders twee op de reede liggende schepen, met de wapens van Friderici en toepasselijke bijschriften prijkten en prachtig waren geïllumineerd.
Zooveel mogelijk trachtte Friderici bij voor hem en voor de kolonie belangrijke gebeurtenissen, die hij wenschte te vieren, die feestviering te doen plaats hebben op die dagen, waarop een der leden van het vorstelijk geslacht verjaarde, en steeds werden die herinneringsdagen door hem met luister herdacht, want Friderici was een warm voorstander van het Huis van Oranje.
Friderici ging in dezen niet mede met den tijdgeest, die meer en meer de banden, die ons Vaderland aan Oranje verbonden, vaneen trachtte te rijten.
De beginselen der Fransche vrijdenkers, die de revolutie in Frankrijk te voorschijn riepen, waardoor een braaf vorst boeten moest voor de misdrijven zijner voorgangers en waardoor de ongebreidelde hartstogten der volkeren in beweging werden gebragt, hadden ook in ons Vaderland verdervend gewerkt; ook aldaar waren de gemoederen verhit en door allerlei drogredenen was het eene partij gelukt om Neêrlands volk van Oranje te vervreemden. De invloed dier beginselen werd ook in Suriname gevoeld en hierdoor ontstonden verwikkelingen, die noodlottige gevolgen voor de kolonie na zich sleepte, welke Friderici niet kon verhoeden.
De algemeene toestand van Suriname was bij den aanvang der regering van Friderici niet zoo geheel ongunstig te noemen, als eenige jaren vroeger. Friderici was door en door met de koloniale belangen bekend en een ijverig voorstander van landbouw en industrie; men hoopte, dat onder zijn wijs en voorzigtig bestuur de kolonie tot meerderen bloei en meerdere welvaart zou geraken. Die hoop nog werd vermeerderd door het stijgen der prijzen van de koloniale producten, en hoewel de schaarschte aan geld zich nog wel pijnlijk deed gevoelen, en er nog gedurig plantaadjes in handen der hypotheekhouders voor schuld overgingen—troostte men zich met de betere vooruitzigten.
De bevolking der kolonie werd in 1791 begroot op:
Friderici wenschte ook de armverzorging op een beteren voet te brengen, daar zij, niettegenstaande de telkens vermeerderende subsidiën, zeer veel te wenschen overliet. Vooral was het slecht bestuur van het Gereformeerd Diaconiehuis eene zaak, die noodwendig voorziening behoefde. Er werd daarom op zijn voorstel eene commissie door het Hof benoemd, om een en ander behoorlijk te onderzoeken. Die commissie bragt in de vergadering van 28 December 1790 verslag uit van den staat van het Gereformeerde Diaconiehuis. Dit verslag luidde o. a.: »men moet verbaesd staan over de slegte ordre, welke in onze Diaconie is heerschende en welke allengskens door een quaade gewoonte hand over hand is toegenoomen, en welke van den beginne af aan, had moeten teegegaan zijn, bij aldien een yder dat wie met soo veel sorgvuldigheyd toezigt van deese aan de soo veel kostende staat is toevertrouwd en aanbevoolen, op ’t ernstigst zig deese zaak ter herte hadde genoomen.”
aan de Sociëteit ƒ 2,342,474: 4.15
en aan het kantoor der modique lasten ƒ,, 1,590,582:17.6
Alzoo te zamen. ƒ,, 3,933,087: 2.5
Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.
Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.
Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.
Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijk versterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts een oorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.
Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.
Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:
1o Langs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;
In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande de drukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Fransche koloniën was afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.
Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.
Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlaten en zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.
Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beide koloniën had haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.
Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.
Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5de en zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18den Januarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.
In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8sten Maart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21sten Mei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:
»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.
Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanige oorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om te beletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.
Waarmede,
Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,
Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.
(Get.) W. Pr. van Oranje.
Kew, den 7 Feb. 1795.
Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.
(Get.) J. W. Boejink.
Aan den Gouverneur van Suriname.”
Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want in Demerary was een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.
De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.
Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van 11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.
Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:
»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. Extract uit het Register der Resolutiën van de Hoogmogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden.
Sabbathi den 11 April 1795.
Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.
De Gecommiteerden van Holland hebben ter vergadering voorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.
Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelver publicatie van den 4den Maart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.
Dat in tegendeel alle opperhoofden, collegiën van regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zij gesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met alle rigeur tegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.
En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.
En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alle confusiën voor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.
(Was Geparapheert) J. G. H. Hahn, Vt.
Accordeert met voorz. register.
(Was Getekend) W. Quarles.”
Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:
»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijke Sociëteit en Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.
»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste op de eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.
»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van een ligchaam van commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.
»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1sten Junij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld een Raad over de coloniën in America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfde coloniën en bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: de coloniën Demerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemde Sociëteit van Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel der coloniën en tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.
»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors. coloniën van den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.
»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle de voorsz. directiën denzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelve coloniën bij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.
»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indische coloniën genoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfde ligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.
De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. De onophoudelijke veranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.
Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31sten Januarij 1799.
De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:
1o het politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld;
2o den landbouw en den staat der ingezetenen;
3o den toestand der magazijnen;
4o het militaire wezen en defensie;
5o den toestand der finantiën.
Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.
Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.
Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- en Cacaoteelt echter ging achteruit.
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoo sterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.
Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.
Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen, werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.
Vooral omtrent de finantiën is de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.
De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld en obligatiën dan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242 : 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.
Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.
De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13den Augustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16den Augustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”
De artikelen der aangeboden capitulatie waren:
1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;
2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.
De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;
3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;
4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;
5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;
6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;
7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;
8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.
Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:
1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;
2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;
3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;
4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;
5o en 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;
7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2e artikel der capitulatie bedoeld.
Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”
Den 2den September 1799 werden door den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.
De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.
De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.
Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13den November 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met ’s rijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.
Er bevonden zich nog wel 2 Engelsche oorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28sten November werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publieke gebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.
Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.
Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.
Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig was
voor eene somma van ƒ 6896.—
oud en ongangbaar geld ƒ,, 935.—
zoo dat te zamen ƒ 7831.—
aan specie in die kas was: dit was de eenige specie in ’s lands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som van ƒ 1782:14.9⅔
in de kas der hoofdgelden ƒ,, 53136:17.12⅔
in die der venduregten ƒ,, 100361:12.12
Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papieren geld) eene som van ƒ 409,659:5.8
doch zij was schuldig ƒ,, 660,509:11.7⅔
in de kas der gemeene weiden eene som van ƒ,, 157,9:12⅔
en schuldig ƒ,, 1491:4.8
Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen in Holland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.
Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.
In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5den December 1803 in de kolonie aan, en nam den 9den December het bewind over.
Berranger stelde ook aan den Raad der coloniën een nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en de eigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.
Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:
12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te belasten met 1 stuiver per pond ƒ 600,000.
20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met ƒ 20 het vat ƒ,, 400,000.
3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2 stuivers per pond ƒ,, 300,000.
500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met ¾ stuiver per pond ƒ,, 18,750.
10 pCt. op de houtplantaadjes ƒ,, 30,000.
Idem op het zegel ƒ,, 150,000.
80 schepen van 100 ton jaarlijks ƒ 20 per ton ƒ,, 160,000.
Op de slaven te Paramaribo ƒ 10 per hoofd ƒ,, 100,000.
Op de venduen ƒ,, 30,000.
Te zamen ƒ 1,888,700.
Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als: kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen, kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare gebouwen enz.
De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt de koloniën van den staat. Den 25sten April 1804 vertoonden zich 31 Engelsche grootere en kleinere oorlogsschepen aan de kust, bij Saramacca en Braamspunt; den 27sten bemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken, na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28sten April, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat »de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging over te geven.” De raden van policie als vertegenwoordigers van den burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand.” Berranger deed opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen, waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede, de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven.”
De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen van zijn presidialen zetel op en na het zeggen: »zoo gij mijn gezag ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden voorwaarden afslaan,” keerde hij toornig naar Paramaribo terug, om aldaar de rust te bewaren.
Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij het derde tijdvak.
De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683–1804) heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden bodem van Suriname door ’s menschen hand een giftboom geplant, welks wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.
Wel is Suriname eene productieve kolonie geweest, doch eigenlijken bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die oogsten, kwam tot de ooren van den Heer der Heirscharen, tot Hem die liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede”, die eisch der christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht —men vertrad den broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort, werd als een zaak beschouwd, als—en soms minder dan—een redeloos dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand, den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus, aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods en ook over die Zijner waardige dienstknechten.
Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der geschiedkundige feiten, Suriname’s lotgevallen in de drie eerste tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te doen stellen, dan tot heden wordt betoond.
Men rekent, dat aan den heer Raad Fiscaal, volgens ZEd. eisch zal kunnen toeleggen jaarlijks Surinaamsch geld ƒ 6000
De nieuw aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder ƒ,, 2000
De twee Substituut-Exploiteurs ieder ƒ 500, dus ƒ,, 1000
Huur van twee sloepen, die de Exploiteur uit zijn privé-beurs moet betalen, jaarlijks voor ieder ƒ 100 ƒ,, 200
Onderhoud van 10 slaven, die door het land zouden moeten worden gekocht, te weten voor kost, noodig onderhoud en chirurgijnsloon aan den Exploiteur toe te leggen ƒ,, 300
Interest van eene somme van ƒ 5000, dat men rekent de 10 aan te koopen slaven zullen kosten, à 8 pCt. in het jaar ƒ,, 400
ƒ 9900
dat alle jaren aan citatiën, zoo voor de beide hoven van Policie en Civiele Justitie, als voor het Collegie van Kleine Zaken, boven de ƒ 100 worden uitgegeven 500 stuks, ieder gerekend à ƒ 4.10 ƒ 2025
Aan Exploiten, die jaarlijks worden gedaan, zoo schat men zulks op 300 stuks, ieder gerekend op ƒ 7.10 ƒ,, 2250
Aan huur van twee sloepen en 10 stuks slaven, tot het doen van Exploiten in de rivieren met de vacantiën, welke men vooraf alhier verdeeld, namelijk, dat wanneer een Exploit wordt gedaan op plantaadjes, één getij van Paramaribo gelegen, ƒ 18 en verder voor ieder getij meer ƒ 18, rekent men op te brengen ƒ,, 1800
Voor ’t derigeren der Executiën, ieder jaar ƒ 10 à 20 ƒ 200
Proclamatiën, Edictaales Citatiën, maken van Inventaris, alles met de aankleve van dien, alsmede voor het visiteeren in civiele gijzelingen, rekent men hoogstens ƒ,, 1800
Voorgestelde heffing van 5 pCt. voor de koopers van losse, vaste goederen bij Executie verkocht, daar men vermeent, dat de kooper weinig zien zal, rekent men ƒ,, 1000
ƒ 9075
Te kort alzoo volgens Calcula ƒ,, 825
ƒ 9900
De Exploiteur zal ten zijnen kosten moeten koopen twee bekwame scheepssloepen, welke men rekent dat zullen kosten hoogst ƒ 400, die sloepen twee jaren dienende, zoo kost hem zulks jaarlijks ƒ 200
Voor kost en onderhoud van 10 slaven, mitsgaders chirurgijnsloon à 50 per slaaf ƒ,, 500
Voor het maken van een tentbootloods ƒ 200; men rekent dat deze 4 jaren goed blijft, is dus ieder jaar ƒ,, 50
ƒ 750
Alzoo kan de Exploiteur jaarlijks overhouden ƒ,, 2050
ƒ 2800
1. Een vast jaarlijks tractement ƒ 2000
2. Voor huur van de twee sloepen ƒ,, 200
3. Voor het onderhoud der 10 slaven ƒ,, 300
4. Opbrengst huurloos, wanneer hij de slaven niet voor de dienst noodig heeft, rekent men ƒ 30 per slaaf ƒ,, 300
wordt ƒ 2800
Dirigeren eene Executie eens vooral buiten vacatie ƒ 20.00
Presentie-geld van ieder Raad in de rivieren per dag ƒ,, 20.00
Presentie-geld,,van,,ieder,,Raad,, in Paramaribo per,,dag,, ƒ,, 5.00
Omslag voor den tamboer ƒ 1.10; voor vacatie in de rivieren in de 24 uren ƒ,, 10.00
Huurvaartuigen en slaven, ieder 24 uren of vacatie ƒ 8.00
Inventaris zonder voortgang der Executie ƒ,, 7.10
Sondags-Proclamatie van 1, 2, 3 en 4de gebod, voor ieder ƒ,, 7.10
Exploit op mandement van purge, soo wegens het afkondigen, uitroepen als het citeeren van een iegelijk, die sich partij zoude willen maken ƒ,, 7.10
Copie van ’t mandement op een zegel aan het raadhuis ƒ,, 5.00
Het relaas of acte van Exploite ƒ,, 5.00
Exploit van een mandement van ministerie en van policie ƒ,, 7.10
Emolument voor den Substituut-copie van ’t mandement ƒ,, 1.16
Exploit op ’t mandement van Benifice van Inventaris ƒ,, 5.00
Edicaale Citatie op zegels, aan ’t raadhuis en in de rivieren, ieder ƒ,, 5.00
Het maken van Inventaris, Estimatie van goederen en verklaring bij acte doet stellen ƒ,, 9.18
Een insinuatie op verleende surcheange ƒ 7.10
Een,,insinuatie,, om wederom in gijzeling te gaan ƒ,, 7.10
Voor het verlies van beide oogen ƒ 1500.
Voor,,het,,verlies,,van,, een oog ƒ,, 300.
Voor,,het,,verlies,,van,, beide armen ƒ,, 1500.
Voor,,het,,verlies,,van,, regter arm ƒ,, 450.
Voor,,het,,verlies,,van,, linker arm ƒ,, 350.
Voor,,het,,verlies,,van,, beide handen ƒ,, 1200.
Voor,,het,,verlies,,van,, regter hand ƒ,, 350.
Voor,,het,,verlies,,van,, linker hand ƒ,, 300.
Voor,,het,,verlies,,van,, beide beenen ƒ,, 700.
Voor,,het,,verlies,,van,, een been ƒ,, 350.
Voor,,het,,verlies,,van,, beide voeten ƒ,, 450.
Voor,,het,,verlies,,van,, een voet ƒ,, 200.
de eerste 14 dagen ƒ 3 per dag;
de tweede id. ƒ,, 2 id.
en verder id. ƒ,, 1 id.
↑
100 ps. à ƒ 1000— ƒ 100,000—
200 ps.,,à,, ƒ,, 500— ƒ,, 100,000—
250 ps.,,à,, ƒ,, 400— ƒ,, 100,000—
250 ps.,,à,, ƒ,, 200— ƒ,, 50,000—
500 ps.,,à,, ƒ,, 100— ƒ,, 50,000—
te zamen ƒ 400,000—