Note 892 — van 1683 tot 1804. (continued 4)
Reading edition
Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen892. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus 1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad ƒ 110,578:19”893. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen894. Na herhaalde en breedvoerige discussiën werd eindelijk den 13den Januarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen895.