← Table of contents
Geschiedenis van Suriname

van 1816 tot 1861. (continued 3)

Reading edition

Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders van Christus eene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!

De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij—zij het dan ook in ruwen vorm—edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheid verwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.

Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz. 759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.

De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.

Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegers en worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.

De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.

Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegers kan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.

De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.

Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.

Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.

De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz. 171–78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz. 178–201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Suriname bestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wij op bladz. 312 vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit.”

Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.

De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaansche waren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.

In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.

De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of ander Gouvernementsambt bekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.

De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe van Wesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, en de belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.

De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.

Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe van Wesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte—de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;—zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.

Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.

Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.

Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit—zoo als wij zagen—tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest den werkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz. 714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.

»Men zegge niet” merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23sten September 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of—gebrek te lijden.”

In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is het dat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.

Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootste gedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.

De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.

Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.

Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.

De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.

Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.

Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.

De beide Israëlietische gemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de Portugesche Israëlieten uit ongeveer 700 personen. Sedert lang waren de beide Israëlietische gemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22sten Januarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook de Israëlietische jeugd van hem godsdienstig onderwijs.

In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.

Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal—in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,—doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eener spaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank ƒ 23,833,91.

In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school door Roomsch-Catholieke geestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.

Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.

Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven met concubines is er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.

Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en—in alle slavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.

De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande.”

Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.

Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;—en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.

Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven—de productieve kracht van Suriname—gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge,” of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij,” het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.

En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunne privé-beurs zullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk der Administrateuren nog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, met eere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.

Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zal hierdoor de neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.

Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.

Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkele familiën als met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.

Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardige wetten beperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.

Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.

De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.

Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles” en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.

Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.

Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.

Notes in this chapter

Note 1 · Proclamatie van Van Panhuijs, 27 Februarij 1816. ↑Note 2 · Proclamatie van Van Panhuijs, 4 Julij 1816. ↑Note 3 · Zie over het een en ander hier vermelde, het uit 110 artikelen bestaande Reglement op het beleid van de Regering, het Justitiewezen, den LanNote 4 · Proclamatie van van Panhuys, 2, 4 en 6 Maart 1816. ↑Note 5 · Proclamatie van van Panhuys, 28 Junij 1816. ↑Note 6 · Beschouwing van het Adres van P. C. Bosch Reitz, c. s. door ingezetenen der kolonie Suriname, bladz. 41. ↑Note 7 · Publicatie van Vaillant, 19 Julij 1816. Teenstra: De Landbouw in de kolonie Suriname, bladz. 60; Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladzNote 8 · Resolutie van Gouverneur en Raden, 23 December 1816. ↑Note 9 · Resolutie van Gouverneur en Raden, 19 Mei 1817, behelzende de bepaling van eenige Algemeene Schoolwetten voor de schoolhouders en onderwijzeNote 10 · Publicatie van Vaillant, 26 Februarij 1817. ↑Note 11 · Publicatie van Vaillant, 19 Mei 1817. ↑Note 12 · Publicatie van Vaillant, 11 Maart en 19 Mei 1817. ↑Note 13 · Proclamatie van Vaillant, 24 October 1816. ↑Note 14 · Resolutie van Vaillant, 13 November 1818. ↑Note 15 · Proclamatie van Vaillant, 28 December 1818. ↑Note 16 · Proclamatie van Vaillant, 3 November 1818. Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 48. Teenstra. De Landbouw in de kolonie Suriname, 1eNote 17 · Teenstra, De Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, bladz. 60. ↑Note 18 · Teenstra. De Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, bladz. 60. Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 48. ↑Note 19 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel blz. 61. ↑Note 20 · Proclamatie van Vaillant, 6 Junij 1817. ↑Note 21 · Resolutie van Gouverneur en Raden, 18 Maart 1818. ↑Note 22 · De preek van Ds. Uden Masman werd later, benevens een verhaal van den brand, in druk uitgegeven bij Leeneman van der Kroe. Aan dit werkje enNote 23 · Teenstra merkt aan, dat de waardeering der huizen door elkander op ƒ 20,000 hoog, ja stellig te hoog is, daar er verscheidene hutjes en kleiNote 24 · Publicatie van Vaillant, 5 September 1821. ↑Note 25 · Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 48. ↑Note 26 · Publicatie van Vaillant, 23 Julij 1821. ↑Note 27 · Vele der hier vermelde bijzonderheden omtrent de Veer zijn ontleend aan: Handelingen en Geschriften van het Indisch Genootschap te ’s GravenNote 28 · Publicatie van A. de Veer, 21 Mei 1822. ↑Note 29 · Publicatie van A. de Veer, 18 Augustus 1823. ↑Note 30 · Publicatie van A. de Veer, 1 Maart 1823. ↑Note 31 · Publicatie van A. de Veer, 20 Maart 1824. ↑Note 32 · Resolutie van Gouverneur en Raden, 9 December 1824. ↑Note 33 · Publicatie van A. de Veer, 20 December 1824. ↑Note 34 · Publicatie van A. de Veer, 5 Maart 1828. ↑Note 35 · Notificatie van 6 Junij 1825. ↑Note 36 · Publicatie van A. de Veer, 6 October 1825. ↑Note 37 · Publicatie van A. de Veer, 19 April 1826. ↑Note 38 · Aan de Redactie van het Tijdschrift: Bijdrage tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën, bijzonder betrekkelijk de vrijlating der Note 39 · Brief van Elout aan de Veer, 24 December 1828. ↑Note 40 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel blz. 64. ↑Note 41 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel blz. 65. ↑Note 42 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel blz. 65. ↑Note 43 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, bldz. 66. ↑Note 44 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, bldz. 65. ↑Note 45 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, bldz. 65. ↑Note 46 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, bldz. 65. ↑Note 47 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel. bldz. 67. ↑Note 48 · Publicatie van A. de Veer, 20 Junij 1825. ↑Note 49 · Sommige schrijvers over de finantiële kwestie, als: J. J. de Mesquita en anderen vermelden wel dit laatste feit, doch niet de vroegere dalinNote 50 · Publicatie van de Veer, 25 October 1826, behelzende bepalingen omtrent de intrekking met primo Januarij 1827, van het Surinaamsch papieren- Note 51 · Publicatie van de Veer, 20 December 1826. J. J. de Mesquita. Ontwerp ter verbetering van den finantiëlen toestand van Suriname. ↑Note 52 · Publicatie van de Veer, 28 December 1826. ↑Note 53 · Publicatie van de Veer, 30 December 1826. ↑Note 54 · Publicatie van de Veer, 30 October 1827. ↑Note 55 · Publicatie van de Veer, 5 Maart 1828, No. 3 en 4. ↑Note 56 · Publicatie van de Veer, 29 April 1828. ↑Note 57 · Publicatie van de Veer, 20 Mei 1828. ↑Note 58 · Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 84. ↑Note 59 · Omtrent de officieele handelingen van van den Bosch leze men het Gouvernementsblad van 1828, No. 3, waarin het Reglement op het beleid der RNote 60 · Publicatie van P. R. Cantz’laar, 20 Mei 1828. ↑Note 61 · Publicatiën van Cantz’laar, 19 November 1828. ↑Note 62 · Publicatiën van Cants’laar, 26 Augustus 1828. ↑Note 63 · Publicatiën van Cantz’laar, 5 December 1828. ↑Note 64 · Publicatiën van Cantz’laar, 26 October 1830. ↑Note 65 · Publicatiën van Cantz’laar, 18 November 1828. Deze wetten waren reeds door van den Bosch opgesteld, doch door den Gouverneur-Generaal in RadNote 66 · Publicatie van Cantz’laar, 23 December 1828. ↑Note 67 · Reglement van 7 October 1828. ↑Note 68 · Publicatie van Cantz’laar, 7 October 1828. ↑Note 69 · Publicatie van Cantz’laar, 20 November 1828. ↑Note 70 · Deze eerstgenoemde waarborg heeft eigenlijk niet bestaan. ↑Note 71 · Koninglijk Besluit van 30 December 1828, Publicatiën van Cantz’laar, 19 Maart en 5 Junij 1829. ↑Note 72 · Verzameling van stukken aangaande de Surinaamsche aangelegenheden 1845. 2o gedeelte bladz. 28. ↑Note 73 · Publicatie van Cantz’laar, 3 Mei 1831. ↑Note 74 · Nog tweemaal werd het Koloniaal Gouvernement gemagtigd tot afgifte van wissels ten bedrage van ƒ 200,000 op het Gouvernement in het NederlanNote 75 · Ontwerp ter verbetering van den finantiëlen toestand in de Kolonie Suriname, door J. J. de Mesquita, bladz. 39. ↑Note 76 · Teenstra. De Landbouw in den Kolonie Suriname, 1ste deel, bladz 69. ↑Note 77 · Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 49. Teenstra, De Landbouw in de Kolonie Suriname, 1ste deel, bladz. 69. ↑Note 78 · Publicatie van Cantz’laar, 7 September 1830. ↑Note 79 · Publicatie van Cantz’laar, 18 October 1831. ↑Note 80 · Teenstra, De Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, bladz. 69–72. Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 49. ↑Note 81 · Halberstadt, Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval in de kolonie Suriname, bladz. 13. ↑Note 82 · Publicatie van van Heeckeren, den 19 November 1831. ↑Note 83 · Publicatie van van Heeckeren, den 2 Mei 1832. ↑Note 84 · Men herinnere zich hierbij de vele twisten tusschen de geoctroijeerde Sociëteit van Suriname en de Kolonisten, vroeger medegedeeld. ↑Note 85 · Reeds bij de komst van van den Bosch was door de heer Bent in een uitvoerig adres het begeerlijke van beschermende regten (protecting duty) Note 86 · In 1827 en 1828 vond men gereede koopers tegen 11 cent het Amsterdamsche pond, thans naauwelijks tegen 5 cents. ↑Note 87 · Als een bewijs hoezeer de armoede toenam deelden adressanten de bijzonderheid mede, dat terwijl vroeger de hoofdgelden door ieder werden opgNote 88 · Hoezeer deze bewering leugenachtig was blijkt uit: Teenstra. De Negerslaven in de Kolonie Suriname, en andere particuliere berigten en officNote 89 · Uit het door Teenstra daaromtrent medegedeelde blijkt welke groote onbillijkheid jegens de slaven aldaar gepleegd was. ↑Note 90 · Publicatie van van Heeckeren, 6 Februarij 1832. ↑Note 91 · Publicatiën van van Heeckeren, 23 en 27 Maart 1832. ↑Note 92 · Publicatie van van Heeckeren, 10 October 1832. ↑Note 93 · Publicatie van het Gemeente-bestuur, 27 September 1832. ↑Note 94 · Teenstra. De Negerslaven in de kolonie Suriname, bladz. 213. Het voor de Luthersche kerk bestelde orgel kwam in December 1832 en dus gelukkiNote 95 · H. W. R. Ellis, Chronologie der Geschiedenis van Suriname, bladz. 21. ↑Note 96 · Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 49. ↑Note 97 · Proclamatie van van Heeckeren, 28 Mei 1834. ↑Note 98 · Publicatie van van Heeckeren, 3 December 1832. ↑Note 99 · Bij het later uitgevaardigd Reglement op het beheer der Districten Nickerie werd hetzelfde beginsel gevolgd. Aan de Landdrosten werd de handNote 100 · In 1836 werd een Nieuw Reglement daarvoor ontworpen en een Hoofd-ambtenaar onder den titel van Curator aangesteld, zie Publicatie van van HeNote 101 · Omtrent den toenmaligen Gouvernements-secretaris G. A. van der Mee, die bij van Heeckeren in blakende gunst stond, vindt men vele klagten inNote 102 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 21. ↑Note 103 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 21–23. ↑Note 104 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 2e deel, blz. 110. ↑Note 105 · Teenstra, de Landbouw in de kolonie Suriname, 1e deel, blz. 116. ↑Note 106 · Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 84. ↑Note 107 · Halberstadt. Vrijmoedige gedachten enz., bladz. 61. De schrijver doelt hier o. a. op een geval wegens willekeurige handelwijze van het kolonNote 108 · Publicatie van van Heeckeren, 19 November 1834. ↑Note 109 · Publicatie van van Heeckeren, 13 Mei 1836. Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 22. ↑Note 110 · Onder het korte bestuur van jonkheer Cornets de Groot, als Minister van Koloniën (1861) schijnt hem echter regt te zijn gedaan en zijne eiscNote 111 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 22. ↑Note 112 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 22. ↑Note 113 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 23. ↑Note 114 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 21. ↑Note 115 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 23. ↑Note 116 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 23. ↑Note 117 · Proclamatie van van Heeckeren, 2 Junij 1838. ↑Note 118 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 24. ↑Note 119 · Proclamatie van de Kanter, 2 Junij 1838. ↑Note 120 · Publicatie van de Kanter, 4 Januarij 1839. ↑Note 121 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 24. ↑Note 122 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 24. ↑Note 123 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 24. ↑Note 124 · Proclamatiën van de Kanter en van Rijk, 16 Julij 1839. ↑Note 125 · Publicatie van J. C. Rijk, 16 October 1839. ↑Note 126 · Publicatie van J. C. Rijk, 28 December 1839. ↑Note 127 · Publicatie van J. C. Rijk, 12 Mei 1840. ↑Note 128 · Publicatie van J. C. Rijk, 9 December 1840. ↑Note 129 · Publicatie van J. C. Rijk, 28 April 1841. ↑Note 130 · Publicatie van J. C. Rijk, 8 Mei 1841. ↑Note 131 · Publicatie van J. C. Rijk, 15 November 1841. ↑Note 132 · In de naburige Engelsche Koloniën Demerary en Berbice was reeds in 1826 een Protector voor de slaven aangesteld, en een reglement ingevoerd,Note 133 · Zie de rede van den Minister van Koloniën J. C. Baud, 14 Maart 1843, en Verzameling van stukken, aangaande de Surinaamsche aangelegenheden, Note 134 · Verzameling van stukken over Surinaamsche aangelegenheden, 2de gedeelte, bladz. 37. ↑Note 135 · Publicatie van J. C. Rijk, 7 October 1839. ↑Note 136 · Publicatie van J. C. Rijk, 13–14 Julij 1840. ↑Note 137 · Publicatie van J. C. Rijk, 16 October 1841. ↑Note 138 · Verzameling van stukken over de Surinaamsche aangelegenheden, 2de gedeelte, bladz. 30 en 31. Beschouwing van het adres van Bosch-Reitz, c. sNote 139 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 24 en 25. ↑Note 140 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 25. ↑Note 141 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 25. ↑Note 142 · Chronologie van Suriname, bladz. 25. ↑Note 143 · Publicatie van J. C. Rijk, 5 Januarij 1841. Proclamatie van J. C. Rijk, 24 Maart 1841. ↑Note 144 · Publicatie van J. C. Rijk, 1 Maart 1842. ↑Note 145 · Publicatie van J. C. Rijk, 31 Maart 1842. ↑Note 146 · Ellis, Chronologie van Suriname, bladz. 26. ↑Note 147 · Publicatie van de Kanter en Elias, 15 November 1842. ↑Note 148 · Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen van Suriname. ↑Note 149 · Request van G. L. Röperhoff aan Elias, 18 Augustus 1843. Resolutie van Elias, 4 September 1843. ↑Note 150 · Adres van de leden van den kolonialen Raad aan Elias. September 1843. ↑Note 151 · Koninklijk Besluit, 5 October 1843. ↑Note 152 · Adres van belanghebbenden te Amsterdam aan den Minister van Koloniën, 31 October 1843. ↑Note 153 · Dispositie van J. C. Baud, 8 November 1843. ↑Note 154 · Dat die zorgelijke gesteldheid door Elias was verwekt, werd o. a. in de brochure “Beschouwing van een adres van Bosch Reitz c. s.,” door andNote 155 · Adres van belanghebbenden aan den Minister van Koloniën, 25 November 1843. Droevig is het hoe overigens achtingswaardige mannen zoo bij herhNote 156 · Adressen aan den Koning van belanghebbenden, enz. 2 October 1844. Dispositie van den Minister van Koloniën, 11 November 1844. ↑Note 157 · Beschouwing van het adres van Bosch Reitz, c. s. bladz. 6. ↑Note 158 · Publicatie van Elias, 19 Junij 1844. ↑Note 159 · Rede van den Minister van Koloniën in de zitting van 4 Maart 1845. Verzameling van stukken over de Surinaamsche aangelegenheden, 2de gedeeltNote 160 · Proces-Verbaal van het verhandelde op eene comparitie van Eigenaren en Administrateuren van plantagiën, gehouden te Paramaribo op den 1 JuliNote 161 · Koninklijke Besluiten van 6 November 1844, no. 10 en 3. Verzameling van stukken over Surinaamsche aangelegenheden. Beschouwing van het adresNote 162 · Genoemde Brochure waaruit wij reeds een en ander aanhaalden, is in een gematigden doch vaardigen toon geschreven, en behelst zeer belangrijkNote 163 · Sommigen en hieronder de heer Rijsdijk, een der landbouwende leden der Commissie, beschouwen dat juist de toekenning van te veel magt aan beNote 164 · Deze en de later mede te deelen bijzonderheden omtrent de Europesche kolonisatie zijn voornamelijk ontleend aan: Schets van de lotgevallen dNote 165 · Publicatie van Elias, 10 Junij 1845. ↑Note 166 · Publicatie van Elias, 10 Junij 1845. ↑Note 167 · Woorden van den Minister van Koloniën in de zitting van de Tweede Kamer van 14 Maart 1845. ↑Note 168 · Koninklijk Besluit, 1 Julij 1845. ↑Note 169 · R. F. baron van Raders, de wijze van opheffing der slavernij, enz. bladz. 7. ↑Note 170 · Publicatiën van de Kanter en van Raders, 13 October 1815. ↑Note 171 · A. Copijn, zie West-Indië, eerste jaargang, bladz. 245. ↑Note 172 · Publicatiën van van Raders, 30 December 1845, 18 Junij 1846, 1 Julij 1847. ↑Note 173 · Verslag van den staat enz. der Maatschappij tot bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking, 12 September 1848. bladz. 1. ↑Note 174 · Publicatie van de Kanter, 24 Junij 1842. ↑Note 175 · In 1846 heerschte er eene zoo langdurige droogte, dat Suriname bijna tot hongersnood werd gebragt. ↑Note 176 · Reglement dier Maatschappij. Verslag uitgebragt 1 September 1848, door J Helb, Directeur. ↑Note 177 · Publicatie van van Raders, 18 December 1848. ↑Note 178 · Van Raders stelde zich hiervan veel goeds voor. Zie o. a. de door hem uitgegeven Brochure: Schets, om te strekken ten betooge, dat de vrijstNote 179 · In 1850 werden de slavenmagten van de plantaadje Mijn Vermaak, en die van de Gouvernements-houtvelling Andresa, op Catharina Sophia overgebrNote 180 · Brief van van Raders aan den Minister van Koloniën, 9 April 1849. ↑Note 181 · Onderzoek ten gevolge der circulaire van den heer Otto Tank, enz.—te Paramaribo. Van Hoëvell heeft in zijn werk: Slaven en Vrijen in het tweNote 182 · Publicatie van van Raders, 13 Mei 1850. ↑Note 183 · Publicatie van van Raders, 6 Mei 1851. ↑Note 184 · Publicatie van van Raders, 7 April 1847. ↑Note 185 · Publicatie van van Raders, 6 Julij 1847. Voorloopig werd er ter voorziening aan pasmunt kleine muntbilletten, van 50, 25 en 10 centen, ten bNote 186 · Publicatiën van van Raders, 13 September en 3 December 1849, 24 Januarij 1850. ↑Note 187 · Publicatie van van Raders, 22 Maart 1848. ↑Note 188 · Publicatie van van Raders, 20 April 1848. ↑Note 189 · Publicatie van van Raders, 17 Februarij 1849. ↑Note 190 · Resolutiën van van Raders, 31 December 1850, 24 Februarij, 6 Maart, 1 April, 24 April, 19 November 1851. ↑Note 191 · Publicatie van van Raders, 11 Mei 1849. ↑Note 192 · Publicatie van van Raders, 14 October 1850. ↑Note 193 · De schets van de lotgevallen der kolonisten, die aan de proeven van Europesche kolonisatie aan de Saramacca hebben deelgenomen, door A. CopiNote 194 · De onderscheiden bijzonderheden omtrent deze grievende en onregtvaardige behandeling, een waardig man aangedaan, zijn voornamelijk ontleend Note 195 · Publicatie van van Raders en Mr. P. de Kanter, 1 Maart 1852. ↑Note 196 · Publicatie van C. Barends, 14 Junij 1852. ↑Note 197 · Publicatie van von Schmidt auf Altenstadt, 22 Junij 1852. ↑Note 198 · Resolutie van 20 November 1852, met bijlagen, enz., enz. ↑Note 199 · Publicatie van Schmidt auf Altenstadt, 3 September 1852. ↑Note 200 · Publicatie van Schmidt auf Altenstadt, 3 September 1852. ↑Note 201 · Publicatiën van Schmidt auf Altenstadt, 22 April, 29 April 1854 enz. ↑Note 202 · Publicatie van Schmidt auf Altenstadt, 22 Dec. 1854, met bijlagen. ↑Note 203 · Publicatiën van Schmidt auf Altenstadt, 23 Februarij en 8 September 1854. ↑Note 204 · Publicatie van Schmidt auf Altenstadt, 13 Februarij 1854. ↑Note 205 · Zie bladz. 651. ↑Note 206 · Resolutie van Schmidt auf Altenstadt, 12 Julij 1853, met bijlage. ↑Note 207 · Publicatie van Schmidt auf Altenstadt, 9 Januarij 1855. ↑Note 208 · Het vijfentwintig-jarig bestaan der Maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolkNote 209 · Geschiedkundige aanteekeningen enz., door R. F. Baron van Raders, bladz. 114, 115. De Hollandsche boeren in Suriname. Surinaamsch Weekblad, Note 210 · Kappler, Zes jaren in Suriname, 1854. 2 deelen. ↑Note 211 · Zie bladzijde 676. ↑Note 212 · Handelingen en Geschriften van het Indisch Genootschap, 6den jaargang, bladz. 119–245. ↑Note 213 · Publicatie van Schmidt auf Altenstadt en Schimpf, 25 Augustus 1855. ↑Note 214 · Koninklijk Besluit, 20 Mei 1855, Resolutie van Schmidt auf Allenstadt, 8 Augustus 1855. ↑Note 215 · Koninklijke besluiten, 20 Junij, 7 Julij, 31 December 1855, 13 Februarij, 8 en 21 Mei, 23 Julij, 3, 20, 22 en 28 Augustus 1856. Resolutiën vNote 216 · Zie o. a. publicatie van Schimpf 19 December 1851. ↑Note 217 · Publicatie van Schimpf, 16 Februarij 1856. ↑Note 218 · Publicatiën van Schimpf, 26 April en 8 Julij 1856. ↑Note 219 · Publicatie van Schimpf, 26 April 1856. ↑Note 220 · Publicatie van Schimpf, 11 Junij 1856. ↑Note 221 · Publicatiën van Schimpf, 1 en 10 Mei 1857. ↑Note 222 · Publicatie van Schimpf, 21 December 1857. ↑Note 223 · Resolutie van Schimpf, 26 Augustus 1856. ↑Note 224 · Publicatie van Schimpf, 30 Augustus 1856. ↑Note 225 · Publicatie van Schimpf, 19 December 1855. ↑Note 226 · Publicatie van Schimpf, 24 December 1856. ↑Note 227 · Zie o. a. Adressen aan de Tweede Kamer door J. Wolbers, 4 December 1858 en 18 Januarij 1859. ↑Note 228 · Schrijver dezes is tegen Immigratie van Chinezen, doch hij moet erkennen, dat de Chinezen, waarvan hier sprake is, onregtvaardig behandeld zNote 229 · Zie Verslag der Commissie uit de Tweede Kamer, zitting 8 Mei 1861. ↑Note 230 · In eene brochure: De Surinaamsche adressen, bij Kemink en Zoon, wordt een en ander omtrent die adressen medegedeeld, dat, ofschoon de stijl Note 231 · Publicatie van Schimpf en van van Lansberge 11 Augustus 1859. ↑Note 232 · Resolutie van van Lansberge, 14 Februarij 1860. ↑Note 233 · Montecattinis-oord bestaat nog maar bij naam. Montecattini, die, voor eenige jaren, met eene lading hout van de Marowijne naar Barbados was Note 234 · Extract uit het Journaal, gehouden op eene reis naar de Marowijne, ter uitvoering van eene zending bij de Aucaner- en Bonni-negers, door F. Note 235 · Surinaamsche Couranten van Januarij en Februarij 1861. ↑Note 236 · Zie bladz. 14–22. ↑Note 237 · Zie Regeringsverslag over 1858. ↑Note 238 · Zie Regeringsverslag over 1858. ↑Note 239 · Zie Regeringsverslag over 1858. ↑Note 240 · Ook sedert 1857 wordt door de Hernhutters godsdienstig onderwijs gegeven op het Leprozen gesticht, Batavia aan de Coppename. ↑Note 241 · Regeringverslag over 1858. ↑Note 242 · Vroeger heette deze Opper- on Neder-Nickerie. Door van Raders is bij publicatie van 10 October 1851 die benaming veranderd, en volgens naauwNote 243 · Teenstra geeft in zijn werk: de Landbouw in Suriname, 2e deel, bladz. 133–144, eene uitnemende beschrijving van den toenmaligen toestand vanNote 244 · Het totaal van het in Suriname daarvoor bijeengebragte bedraagt ƒ 9.398. ↑Note 245 · Niet slechts is op sommige dier volksscholen het onderwijs gebrekkig, maar een behoorlijk toezigt op de kinderen ontbreekt, en dit is er zooNote 246 · 10 Kinderen uit den slavenstand zijn bij die gemeente in 1858 gedoopt. ↑Note 247 · Surinaamsch-Weekblad, No. 21—1860. ↑Note 248 · Behalve de reeds meer genoemde Maatschappij ter Bevordering van Christelijk onderwijs onder de Heidensche bevolking van Suriname, en het zenNote 249 · Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, Note 250 · In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de SaramaccaNote 251 · Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als Note 252 · Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de distNote 253 · Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijende Joden-Savanne is nagenoeg geheel verlatenNote 254 · Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen Note 255 · Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eNote 256 · Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij deNote 257 · Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelNote 258 · De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het o
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings