← Table of contents
Geschiedenis van Suriname

Naschrift.

Reading edition

Door gunstige beschikking van den Minister van Koloniën is mij inzage verleend in de officieele bescheiden, door den heer Baron van Heeckeren op ’s Rijks-Archief gedeponeerd, welke betrekking hebben op den tijd (1831–1838), dat hoogstdeszelfs vader, de heer E. L. baron van Heeckeren, Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen was. Toen ik deze gunstige beschikking ontving, was de geschiedenis bijna, het tijdvak van van Heeckeren reeds geheel afgedrukt. Kon ik dus de resultaten van het onderzoek dier belangrijke bescheiden niet ter plaatse, waar zij eigenaardig behooren, mededeelen, in een naschrift willen wij echter het voornaamste daaromtrent aanstippen.

Telkens vindt men ook gewag gemaakt van ontvlugting van slaven uit de andere gedeelten der kolonie, terwijl vele boschtogten ter verstoring der wegloopers plaats vonden.

Hetgeen zoo dikwerf door de slavenmannen beweerd is en nog beweerd wordt omtrent het geluk der slaven, wordt op nieuw door deze feiten wedersproken en wij zeggen het den graaf de Gasparin na, waar hij zegt: »Eene instelling, die het kwade toelaat, het in groote mate in ’t leven roept, zeggende: dat de mensch een ding is, die instelling teelt noodzakelijk meer misdaden, meer misbruiken, meer verkrachtigingen, meer laagheden, dan de verbeelding der romanschrijvers ooit zal kunnen te voorschijn roepen. Wanneer een geheele stand het regt niet heeft, noch om zich te beklagen, noch om zich te verdedigen, noch in regten te getuigen; wanneer zijne stem zich niet kan doen hooren op eenige wijze hoegenaamd, dan is het veroorloofd de bekoorlijke tafereelen te verwerpen, die ons van zijn geluk worden opgehangen.

Men zou geheel onbekend moeten zijn met het menschelijk hart en met de geschiedenis, om den minsten twijfel hieromtrent te kunnen blijven koesteren.

Van de vergunning om slavenmagten bijeen te trekken (zie bladz. 665) werd ruimschoots gebruik gemaakt en gedurig leest men van overschrijvingen van slaven op de privé namen der eigenaren. Verscheidene malen werd toestemming verleend tot het afzonderlijk verkoopen der kinderen van hunne moeders, waartoe dan echter de moeder toestemming moest verleenen. Of deze toestemming altijd vrijwillig en zonder dwang van buiten werd gegeven, laten wij in het midden.

De tegenwoordigheid van den Engelschen commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel was velen een doorn in het oog—(men zie o. a. het later gebeurde daaromtrent (bladz. 691) onder het bestuur van Elias.) Die Engelsche heeren werden door de slaven in zekeren zin als hunne beschermers aangezien, ofschoon zij omtrent hen niets te gebieden hadden. Het geval waarop Halberstadt, in zijn op bladzijde 678 aangehaalde werkje, doelt, betreffende willekeurige handelwijze van het koloniaal Gouvernement omtrent zekeren Engelschen grondeigenaar, den bij ons bekenden John Bent, staat ook hiermede eenigermate in betrekking.

John Bent had in September 1833 aan J. H. Lance, den Engelschen regter in het gemengd geregtshof ter wering van den slavenhandel, in die kwaliteit een brief geschreven, waarin hij als aanklager optrad tegen zekeren Nicholson (een Engelschman), wonende in het district Nickerie: »dat die het er op toeleidde, om zekere slaven uit de naburige Britsche kolonie Berbice met geweld te vervoeren, en dat Nicholson getracht zou hebben den bevelhebber van zekere op de kolonie varende schoener Carolina J. Green daartoe te verleiden. Lance, die de kolonie eerlang stond te verlaten, had dien brief medegedeeld aan de betrokkene partij en aan zijnen opvolger Dalrymph, terwijl hij—daar deze zaak buiten zijne competentie was—de beslissing aan den Gouverneur overliet, vertrouwende, dat deze betamende maatregelen zou nemen.

Van Heeckeren was over deze handelwijze van Bent zeer gebelgd; hij zag hierin eene bedoeling, om, door het kenbaar maken van deze zaak aan het Engelsch gouvernement, in de kolonie eene Engelsche jurisdictie, immers eene Engelsche surveillance te vestigen over inwoners en burgers der kolonie, en botsingen tusschen beide gouvernementen mogelijk te maken. Uit het ingesteld onderzoek bleek niets misdadigs van Nicholson, en daar Bent—zoo vermeende van Heeckeren—met vilipendentie van Nederlandsche autoriteiten zijne medeburgers bij een vreemden regter, tot geheel andere einden tegenwoordig, had aangeklaagd, zou men, krachtens artikel 67 van het reglement, wel vrijheid hebben gevonden om Bent uit de kolonie te verbannen. De Gouverneur vergenoegde zich evenwel slechts met:

a. Bent het Burgerregt te ontnemen: zijn naam zou in het Burger-register worden doorgehaald;

b. den Procureur-Generaal te gelasten op Bent een wakend oog te houden; en

Er is van tijd tot tijd eenig hout naar Nederland verzonden, doch deze handel kan nog veel uitbreiding erlangen.

Tijdens het Embargo (zie bladz. 671) door Engeland en Frankrijk op de Hollandsche schepen gelegd, werden de meeste ladingen uit Nederland naar Suriname en omgekeerd met neutrale schepen vervoerd. Dit verzwaarde echter de kosten en handel en landbouw werden hierdoor gedrukt.

Notes in this chapter

Note 1 · Journaal van van Heeckeren, 24 December 1831. ↑Note 2 · Journaal van van Heeckeren, 24 December 1832. ↑Note 3 · Journaal van van Heeckeren, 20 Julij 1832, 11 Maart 1833. ↑Note 4 · Journaal van van Heeckeren, 7 Januarij 1834. ↑Note 5 · Journaal van van Heeckeren, 25 Julij en 19 September 1833. ↑Note 6 · Journaal van van Heeckeren, 8 Augustus 1838. ↑Note 7 · Journaal van van Heeckeren, 19 Augustus 1837. De uitslag van deze zending hebben wij niet in de officieele bescheiden geboekt gevonden; wij Note 8 · Journaal van van Heeckeren, 5 April 1837. ↑Note 9 · Een groot volk dat zich verheft. De Vereenigde Staten in 1861, uit het Fransch van Graaf Agénor de Gasparin, bladz. 9. ↑Note 10 · Journaal van van Heeckeren, 29 April 1833, enz. enz. enz. ↑Note 11 · Journaal van van Heeckeren, 8 October 1833. ↑Note 12 · Journaal van van Heeckeren, 2 Februarij 1832. ↑Note 13 · Journaal van van Heeckeren, 9 September 1833. ↑Note 14 · Ministeriële Missive, 4 December 1833. ↑Note 15 · Journaal van van Heeckeren, 16 Januarij 1836. ↑Note 16 · Journaal van van Heeckeren, 19 Augustus 1837. ↑Note 17 · Journaal van van Heeckeren, 17 Januarij 1834. Zie ook bladz. 710. ↑Note 18 · Journaal van van Heeckeren, 15 September 1834, 13 April 1835, enz. ↑Note 19 · Ministeriële missive, 27 Februarij 1836. ↑Note 20 · Ministeriële missive, 23 November 1836. ↑Note 21 · Journaal van van Heeckeren, 11 November 1835,10 Maart, 1 Julij 1836, enz. ↑Note 22 · Journaal van van Heeckeren, 25 Januarij 1838. ↑Note 23 · Journaal van van Heeckeren, 2 Maart 1833. ↑Note 24 · Journaal van van Heeckeren, 16 Junij 1836. ↑Note 25 · Journaal van van Heeckeren, 10 Augustus 1836. ↑Note 26 · Ministeriële missives, 13 Augustus 1832, enz. enz. enz. ↑Note 27 · Journaal van van Heeckeren, 20 Augustus 1832, enz. enz. ↑Note 28 · Journaal van van Heeckeren, 26 April 1836. ↑Note 29 · Ministeriële missives van 8 Februarij en 11 November 1836. ↑Note 30 · Journaal van van Heeckeren, 8 April 1835. ↑Note 31 · Uit die belangrijke bescheiden onder anderen blijkt, dat het onwaar is, hetgeen soms wel eens door de partij der reactie beweerd en als bewiNote 32 · Desniettegenstaande bleef er een onrustige geest onder de slaven heerschen ten gevolge van verspreide geruchten omtrent de meerdere vrijheidNote 33 · De Amsterdamsche kooplieden, belanghebbenden bij de Surinaamsche plantaadjes, vreesden zeer voor de gevolgen der Britsche Emancipatie; zij wNote 34 · Toen de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana tot stand was gekomen, werd de communicatie tusschen het Nickerie-district en de BerbiceNote 35 · In 1837 had mede op nieuw een opstand der slaven in de Nickerie plaats; na hunne veroordeeling door het geregtshof te Paramaribo werden zij,Note 36 · Daarbij komt, dat zij, die, gelijk ik, eigenhandig de regterlijke stukken onzer koloniale slavernij hebben doorzocht, vreeselijk wantrouwendNote 37 · De gewone middelen ter correctie der slaven—en deze waren toch nog al krachtig—schijnen sommige meesters nog niet genoegzaam te zijn geweestNote 38 · Op bladzijde 656 gewaagden wij als in het voorbijgaan, op grond van door ons ingewonnen inlichtingen, dat: de zoogenaamde vrije gouvernementNote 39 · c. Bent te bedreigen, dat, wanneer hij verder aanleiding daartoe gaf, hij de kolonie zou moeten ontruimen13.Note 40 · De Nederlandsche regering berustte in de handelwijze van van Heeckeren ten opzigte van Bent, »ofschoon men er anders wel aanmerkingen op zouNote 41 · In Januarij 1836 werd Bent weder in zijn burgerregt hersteld15, en later schijnt de verhouding tusschen hem en den Gouverneur beter te zijn Note 42 · Op voordragt van G. N. G. Vlier, omtrent een plan tot proefneming van kolonisatie met de vrije bevolking van Paramaribo, ten einde hen tot dNote 43 · Door het Nederlandsch gouvernement werd zekeren Bouni, voormalig Controleur der Bosschen, in dienst der Nederlandsche Maatschappij ter bevorNote 44 · Bouni overleed, kort na zijne aankomst te Suriname, waardoor het beoogde doel grootendeels werd gemist; de Minister van Koloniën verzocht ecNote 45 · Na de wegruiming van eenige moeijelijkheden, werden in 1836 nieuwe vredestraktaten met de onderscheidene stammen der Boschnegers gesloten21,Note 46 · Dikwijls kwamen bij de Commissie van onderwijs, aan wie het toevoorzigt en de verzorging, de opvoeding en het onderhoud der behoeftige weezeNote 47 · Op Bladz. 671 schreven wij, dat vereenvoudiging in het bestuur der kolonie zeer gewenscht was, want dat het onderhoud van een legio ambtenarNote 48 · Ook ondervond de handel belemmeringen door de voorzorgsmaatregelen tegen de cholera-morbus genomen (zie bladz. 661); vooral echter beklaagdeNote 49 · Met veel lof wordt gewaagd van den dienstijver en de belangelooze behartiging van het welzijn der volkplanting door den R. C. pastoor J. GroNote 50 · In het journaal van van Heeckeren van 8 April 1835 vindt men vermeld, dat zekeren heer Mr. J. M. Lotze het verzoek heeft gedaan, om het oude
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings