Note 868 — van 1683 tot 1804. (continued 4)
Reading edition
Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18den Fructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9den Junij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayenne hem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte868.