Note 919 — van 1683 tot 1804. (continued 4)
Reading edition
Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar—en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officieren en beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten.” Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt919. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend920. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd921.