Note 209 — van 1683 tot 1804. (continued 4)
Reading edition
De negotie van Indiaansche of roode slaven was een voordeel aan de betrekking van Gouverneur verbonden. Daarvoor hadden de Gouverneurs zoogenaamde wervers “Bokkenruilders” in dienst, die de bovenlanden doorreisden en van de met het Gouvernement bevriende Indiaansche stammen, de door hen op andere gemaakte krijgsgevangenen opkochten, meestal in ruiling tegen blaauw katoen, kralen, ijzerwaren of sterke drank. Deze roode slaven werden in de stad gebragt, door een tolk onderzocht, of zij ook behoorden tot eene bevriende Natie en in het tegenovergestelde geval, namens den Gouverneur, aan de ingezetenen verkocht, die hen als huisbedienden of jagers gebruikten. Vroeger had deze hatelijke handel vele voordeelen opgeleverd; ten tijde van Mauricius echter bragt hij, doordat de Indianen verder in de binnenlanden trokken, zoo weinig op, dat de kosten naauwelijks uit den verkoop gedekt werden. De beschuldiging, dat Mauricius twee, hem door den vrijen neger Quassie aangebragte, roode slaven van een bevrienden stam zou verkocht hebben, was onwaar—de bedoelde slaven behoorden tot den niet bevredigden stam de Brouhahan’s, enz.—Sypesteyn (Mauricius blad 90–92.) ↑