Note 862 — van 1683 tot 1804. (continued 4)
Reading edition
Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde, vermeerderden de moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald862. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien, dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor ƒ 400,000, in November 1798 voor ƒ 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en—hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren,” stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken863”. Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen864, en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé ƒ 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad ƒ 6000 ’s jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht865.