Note 42 — Vijfde hoofdstuk.
Reading edition
Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq., den tweeden secretaris van staat voor het Departement van koloniën, waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en de lords commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend, zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister van koloniën, als Boekhouder-Generaal aanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in, om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester, niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen, werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief opgedragen aan den provisioneelen Boekhouder-Generaal Heshuysen »een man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met de finantiële en andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk wel bedreven in het Engelsch”42.