← Table of contents
Geschiedenis van Suriname

Note 147 — Vijfde hoofdstuk.

Reading edition

De tijd naderde intusschen dat Suriname weder onder het bestuur van Nederland zou komen. Reeds in Junij 1814 werd de tijding in Suriname ontvangen van den tusschen Groot-Brittanje en Frankrijk gesloten vrede; in Augustus van het zelfde jaar ontving men de parlements acte, waarbij de handel tusschen de Vereenigde Provinciën (Nederland) en een gedeelte van Z. B. M. koloniën werd toegestaan. De officieele vertaling dier acte luidde aldus: »Naardien het is dienstig geoordeeld geworden, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de onderdanen van de Vereenigde Provinciën te vergunnen handel te drijven met de coloniën Suriname, Demerary, Essequebo, Berbice, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin, in Amerika en de West-Indiën, welke voorheen behoord hebben aan het gouvernement van de Vereenigde Provinciën, doch zich hebben overgegeven aan Zijner Majesteits wapenen en thans in het bezit van Zijne Majesteit zijn; zoo is ‘t, dat Zijne Koninglijke Majesteit, op den raad en in overeenkomst met de Geestelijke en Wereldlijke Lords, en de leden van het Lagerhuis, in dit tegenwoordig Parlement vergaderd, en op derzelver Authoriteit heeft besloten: Dat van en na het passeeren van deze acte alle onderdanen van de Vereenigde Provinciën, en aldaar woonachtig, in eenig schip of vaartuig gebouwd in het gebied van de Vereenigde Provinciën en aankomende onderdanen van de Vereenigde Provinciën, en bevaren wordende door een kapitein en drie vierde gedeelte der matrozen, onderdanen van gezegde provinciën zijnde of in eenig Brittannisch gebouwd schip of vaartuig aankomende en bevaren wordende volgens de wet, wettiglijk zullen kunnen en vermogen invoeren in voornoemde coloniën van de Vereenigde Provinciën, en uitvoeren naar de Vereenigde Provinciën, en niet direct naar eenig ander plaats, alle zulke goederen, waren en koopmanschappen, als men volgens de wet in de voornoemde coloniën mogen worden ingevoerd, of nu volgens de wet uit de voornoemde coloniën van Groot-Brittanien mogen worden uitgevoerd, doch geene andere goederen, waren of koopmanschappen hoe ook genaamd, tegen betaling in alle gevallen van dezelfde imposten als door Brittaniesche onderdanen in gezegde eilanden of coloniën moeten betaald worden, zich verbindende aan dezelfde verbanden en dezelfde voorwaarden en schikkingen nakomende, als bij den invoer van, en de uitvoer naar Groot-Brittanie plaats vind, niettegenstaande een acte, gepasseerd in het twaalfde jaar van de regering van Zijne Majesteit Koning Karel de tweede, ten titel hebbende: Acte ter aanmoediging en vermeerdering van verzending en zeevaart, of in eenige andere acte hiertegen strijdende; onder beding echter, en het zij verder besloten, dat den kapitein of bevelvoerder van elk zoodanig schip of vaartuig zal vertoonen aan de behoorlijke officieren van de Tol, in de haven van invoer en uitvoer, een vergunningsbrief van de Brittanische Minister resideerende in de Vereenigde Provinciën, authoriseerende het schip of vaartuig, om gezegde reis voort te zetten ten opzigte van zoodanige invoer en uitvoer; op straffe van verbeurdverklaring en boete als bij gezegde acte op het verbreken van de wet op verzending en zeevaart van Zijne Majesteits Koloniën bepaald is”147.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings