Note 114 — Vijfde hoofdstuk.
Reading edition
Onder het bestuur van Bentinck was (3 November 1810) een schip, bestemd voor de Nickerie, met 21 slaven voor Paramaribo aangekomen. De beambten aan het customhouse hadden er beslag op gelegd, daar door dien invoer tegen de wet van de afschaffing des slavenhandels werd gehandeld. Bentinck kwam echter tusschen beide en verklaarde dit voor een bijzonder geval, een dat hem bekend was, en de aangebragte slaven werden in de gevangenis van de fortres Zeelandia opgesloten en bevonden er zich nog tijdens Bonhams komst aan het bestuur. Bonham vroeg, zoodra hij hiervan kennis had gekregen, aan het Britsch Gouvernement, hoe in dit geval te moeten handelen.114 Hij ontving hierop tot antwoord, dat die slaven, als tegen de wet ingevoerd, als vrijen moesten verschoond en goed behandeld worden; zij konden ook als soldaten bij het W. I. regiment worden ingedeeld. Bentinck had er niets van medegedeeld, doch dit was zoo zijne gewoonte.115 Bij een nader onderzoek, door Bonham ingesteld, bleek het dat de bedoelde slaven beschuldigd waren van op Martinique »met vergif te hebben omgegaan”, en daarom voor eene geringe som waren gekocht door zekeren heer Bent, die in Suriname eene plantaadje had. Hun getal was tot veertien gedaald; zij waren oud; verscheidenen onder hen leden aan verlamming; voor de militaire dienst of voor den arbeid waren ze geheel ongeschikt; ze vrij te geven was gevaarlijk en niemand wilde ze in huis nemen. »Ik heb”, schrijft Bonham, »regt medelijden met die arme schepsels, en vind het het beste, om ze naar het etablissement te zenden, waar de tot dwangarbeid veroordeelde negers zijn; daar kunnen zij behoorlijk gekleed en gevoed worden en stillekens voortleven.”116 Het Britsch Gouvernement was hiermede echter nog niet tevreden en verlangde hunne geheele in vrijheidstelling, waaraan door Bonham werd voldaan.117