Het gras verbergt en de regen wischt uit.
Reading edition
Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in ’t gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.
De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, en voor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.
Men leest er geen naam op.
Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.
Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,
Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,
La chose simplement d’elle-même arriva,
Einde van het vijfde en laatste deel.