Marius schijnt dood voor iemand, die er verstand van heeft.
Reading edition
Hij leide Marius aan den rivierzoom.
Zij waren buiten!
Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan ’t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over ’t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.
’t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. ’t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.
Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, ’t welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in ’t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.
Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken, toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.
Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, ’t welk iedereen kent.
Hij keerde zich om.
Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.
’t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.
Jean Valjean herkende Javert.
De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die—luidens de bij hem gevonden nota—hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.
Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! ’t Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, ’t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.
Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.
Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.
Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:
„Wie zijt gij?”
„Ik.”
„Wie, gij?”
„Jean Valjean.”
Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.
Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.
„Inspecteur Javert,” zeide hij, „gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe.”
Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:
„Wat doet ge hier? en wie is deze man?”
Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.
Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:
„Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders.”
Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.
Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.
„Deze man was bij de barricade,” zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. „Men noemde hem Marius.”
Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.
Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.
„’t Is een gewonde,” zei Jean Valjean.
„’t Is een doode,” zei Javert.
Jean Valjean antwoordde:
„Neen, nog niet.”
„Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?” merkte Javert op.
Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean’s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.
Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:
„Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...—Ik ben den naam vergeten.”
Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.
’t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: „Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6.”
Toen riep hij: „Koetsier!”
Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.
Javert behield de portefeuille van Marius.
Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.
Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.
Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.