Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen.
Reading edition
’t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet men,—in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,—het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.
Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou beschuldigen.
Marius,—wij hebben het gezegd—had vóór zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem denken zou. ’t Was meer dan uitwissching, ’t was verduistering.
Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo behoedzaam mogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld aan te raken.
Cosette was met geen dezer geheimen bekend; ’t zou evenwel hard zijn ook haar te veroordeelen.
Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van „mijnheer Jean”, den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius’ geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.
Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.
Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?—’t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l’Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet „neen” antwoorden.
Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.
Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.
Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.
’t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. ’t Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, „ziet vooruit”. De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is. Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. ’t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.