Verklaring.
Reading edition
Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.
De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken gewapend.
Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der ronde van den rechteroever.
Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting van het ringriool te hooren. ’t Waren inderdaad de voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.
’t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.
Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van ’t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der ronde luisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.
Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein plein, ’t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander en fluisterden.
De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te gaan, dat, zoo er iets te doen en een bousingot op te sporen was, zulks in die wijk moest zijn.
Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten jare 1832 vormde het woord bousingot het midden tusschen het woord Jacobin, dat verouderd was, en het woord demagoog, dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.
De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo ’t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. ’t Hing aan een draad. ’t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, die eensklaps omkeerde.
Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van ’t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf boven zijn hoofd geraakt had.
Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in ’t gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en starenden blik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.