← Table of contents
De Ellendigen (Deel 5 van 5)

De helden.

Reading edition

Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.

De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa’s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.

De muur bleef staande.

De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.

De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.

Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt.

Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.

De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.

Courfeyrac was blootshoofds.

„Wat hebt ge met uw hoed gedaan?” vroeg Bossuet.

„Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,” antwoordde Courfeyrac.

Of zij hielden trotsche redenen.

„Begrijpt ge,” riep Feuilly bitter, „die mannen”—(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) „welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten.”

Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:

„Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte.”

Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.

De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder ’t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.

De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.

Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, die sedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.

Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. ’t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en ’t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.

Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.

Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.

Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings