De benedenkamer.
Reading edition
Den volgenden dag, bij ’t vallen van den avond, klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware ’t hem bevolen. ’t Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die of die komt.
Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:
„Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar boven gaan of beneden wil blijven?”
„Beneden blijven,” antwoordde Jean Valjean.
Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het benedenvertrek en zeide: „Ik zal mevrouw verwittigen.”
’t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een van ijzeren spijlen voorzien venster.
Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, ’t geen aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: „dat hij beneden wilde blijven,” gerekend had.
Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen. Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.
De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van het venster verlicht.
Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.
Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de borst, zag noch Basque noch de waskaars.
Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.
Hij had haar niet zien binnenkomen.
Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid, ’t was de ziel.
„Waarlijk, vader,” riep Cosette, „ik wist dat ge zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.”
„Ja, zoo is het.”
„Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader.”
En zij bood hem haar wang aan.
Jean Valjean bewoog zich niet.
„Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. ’t Is de houding van een schuldige. Om ’t even, ik vergeef ’t u. Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan. Ziedaar.”
En zij hield hem de andere wang toe.
Jean Valjean verroerde zich niet. ’t Was, of zijn voeten aan den grond waren gekleefd.
„’t Wordt ernstig,” zei Cosette. „Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet met ons.”
„Ik heb gegeten.”
„’t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.”
„Onmogelijk.”
Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en begon te vragen.
„Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het huis. ’t Is hier afschuwelijk.”
„Ge weet...”
Jean Valjean viel zich zelven in de rede:
„Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben, dat ik grillen heb.”
Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.
„Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat beteekenen?”
Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke dikwijls op zijn gelaat verscheen.
„Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.”
„Niet voor u, vader.”
„Noem mij niet langer vader.”
„Waarom?”
„Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.”
„Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar ’t is een revolutie. Wat is er toch gebeurd? Zie mij toch in ’t gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?”
„Niets.”
„Welnu dan?”
„Alles is als gewoonlijk.”
„Waarom verandert ge van naam?”
„Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.”
Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:
„Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn.”
„Ik begrijp er niets van. ’t Is alles dom. Ik zal mijn man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. ’t Is slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt.”
Hij antwoordde niet.
Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, ’t geen een groot bewijs van teederheid is.
„Ach,” zeide zij, „wees goed!”
En zij voer voort:
„Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de spelonk in de straat de l’Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt en mijn vader zijt.”
Hij maakte zijn handen los.
„Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot.”
Cosette werd driftig.
„Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.”
„Indien vrouw Toussaint hier was,” hernam Jean Valjean, als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, „zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere manieren heb. ’t Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek bemind.”
„Maar ’t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. ’t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt.”
„Straks toen ik hierheen ging,” antwoordde Jean Valjean, „heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. ’t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof ik. ’t Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. ’t Is lief.”
„Bah, de leelijke beer!” antwoordde Cosette.
En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. ’t Was een bevallige nabootsing eener kat.
„Ik ben verwoed,” zeide zij. „Sedert gisteren maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. ’t Is waar, ge zijt zonderling. ’t Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat l’Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!”
En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in ’t gezicht en voegde er bij:
„Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?”
De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.
Cosette wilde krabben, zij verscheurde.
Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken toon:
„Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest.”
„Ha, nu zegt ge weder Cosette!” riep de jonge vrouw. En zij viel hem om den hals.
Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. ’t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.
„Ik dank u, vader!” zei Cosette.
Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.
„Nu?” zei Cosette.
Jean Valjean antwoordde:
„Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.”
En op den drempel der deur voegde hij er bij:
„Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.”
Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit raadselachtige vaarwel achter.