← Table of contents
De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet.

Reading edition

Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen „goeden dag” met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord: „mijn vader!” hij was op zijn verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest verliezen.

Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.

Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de oude dichters de wedergeboorte noemden,—toen zeide Marius tot Cosette:

„Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn.”

Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.

Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles du Calvaire.

„Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,” zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.

Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar „hun tuin” en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in ’t geheel niet gezien had.

„Hoe zijt ge er heen gegaan?” vroeg Jean Valjean haar.

„Te voet.”

„En hoe teruggekomen?”

„In huurrijtuig.”

Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat het jonge paar leidde. ’t Werd hem een bekommering. De zuinigheid van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten zin. Hij waagde een vraag.

„Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer dan vijfhonderd francs ’s maands kosten. Gij zijt rijk.”

„Ik weet het niet,” antwoordde Cosette.

„Zoo ook met vrouw Toussaint;” hernam Jean Valjean, „zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats genomen. Waarom?”

„Nicolette is voldoende.”

„Maar gij moet een kamenier hebben.”

„Heb ik Marius niet?”

„Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk.”

Cosette antwoordde niet.

De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. ’t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.

Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven. ’t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te vergeten! ’t Was de verbinding zijner wond. ’t Gebeurde meermalen, dat Basque bij herhaling kwam zeggen: „Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is.”

Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.

Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?

Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. „Zie!” dacht hij. „Geen vuur.” En hij gaf zich deze verklaring: „’t Is natuurlijk. Wij zijn in April. ’t Is niet koud meer.”

„Mijn Hemel! hoe koud is ’t hier!” riep Cosette binnenkomende.

„Och neen,” zei Jean Valjean.

„Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?”

„Ja. Wij hebben aanstonds Mei.”

„Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar vuur noodig.”

„Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.”

„Dit is weder een van uwe denkbeelden!” hernam Cosette.

Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het andere einde der kamer bij de deur geplaatst.

„Wat moet dit beteekenen?” dacht Jean Valjean.

Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.

Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.

Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:

„Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?”

„Wat dan?”

„Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten.”

Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen hij in de straat de l’Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.

Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt. ’t Was duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.

Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem allengs trachtte te verwijderen.

Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.

„O!” riep Cosette binnentredend, „geen armstoelen! Waar zijn toch de stoelen?”

„Zij zijn er niet meer,” antwoordde Jean Valjean.

„Dat is raar!”

Jean Valjean stamelde:

„Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.”

„Waarom?”

„Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.”

„Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan.”

„Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had.”

„Waarom?”

„Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.”

„Niemand.”

Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.

Cosette haalde de schouders op.

„De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur uitdooven. Ge zijt zonderling!”

„Vaarwel,” mompelde Jean Valjean.

Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te zeggen: Vaarwel, mevrouw.

Geheel terneergedrukt ging hij heen.

Thans had hij de zaak begrepen.

Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds op.

„Zie,” zeide zij, „mijnheer Jean is er vandaag niet geweest.”

’t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van werd afgetrokken.

Den volgenden dag kwam hij niet.

Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door en sliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen „waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was.”

„Ik ben er in twee dagen niet geweest,” zei Jean Valjean op zachten toon.

Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet aan Cosette over.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings