De oude geschiedenis der riolen.
Reading edition
Men verbeelde zich Parijs als een deksel opgelicht, en het onderaardsche riolennet, uit de hoogte gezien, zal op beide oevers eenigermate ’t voorkomen hebben van een grooten tak, die aan de rivier ingeënt is. Op den rechteroever zal het ringriool de stam van dien tak zijn, de bijriolen zullen de takjes, en de sloppen de twijgen er van zijn.
Deze figuur is slechts oppervlakkig en niet volkomen juist, wijl de rechte hoek, die bij deze onderaardsche vertakkingen gewoon is, zelden in het plantenrijk voorkomt.
Men zal zich een juister beeld van dien zonderlingen geometrischen, plattegrond kunnen vormen, wanneer men zich verbeeldt op den donkeren grond een grillig oostersch alphabet verward door elkander te zien, van ’t welk de wanstaltige letters in schijnbare wanorde en als toevallig, nu aan de hoeken, dan aan de einden, aaneen zijn gesmolten.
De zinkgaten en riolen in de Middeneeuwen speelden in het Romeinsche rijk en in het oude Oosten een groote rol. De pest werd er geboren, de despoten stierven er. De bevolkingen aanschouwden schier met godsdienstige vrees deze bedden van verrotting, deze monsterachtige wiegen des doods. De holen van ongedierte te Benares zijn niet minder vreeselijk dan de leeuwenkuil van Babel. Volgens de rabbijnsche boeken zwoer Theglath-Phalasar bij de zinkputten van Ninivé. Uit het riool van Munster deed Jan van Leijden zijn valsche maan opgaan, evenals zijn Oostersche evenknie, Mokanna, de gesluierde profeet van Korassan, uit den rioolput van Kekhscheb zijn valsche zon deed komen.
De geschiedenis van den mensch spiegelt zich af in de geschiedenis der riolen. De gemoniën spreken van Rome. Het oude riool van Parijs was iets vreeselijks. Het was graf, en wijkplaats tevens. De misdaad, het genie, het maatschappelijk verzet, de vrijheid van geweten, de gedachte, de diefstal; al wat de menschelijke wetten vervolgen of vervolgd hebben, heeft zich in dat hol verborgen; de maillotins in de veertiende eeuw, de tire-laines in de vijftiende eeuw, de hugenoten in de zestiende eeuw, de illuminaten van Morin in de zeventiende eeuw, de voetschroeiers in de achttiende eeuw. Honderd jaren geleden kwam de nachtelijke dolksteek er uit, de bedreigde dief sloop er in; het bosch heeft zijn holen, Parijs had zijn riolen. De truanderie had het riool tot bijverblijf van het hof der mirakelen en ging ’s avonds spottend en wreed onder het rioolgewelf Maubuée terug als in een bed.
In het oude Parijs is het riool de verzamelplaats van alle uitputting en van alle aanslagen. De staathuishoudkunde ziet er uitwerpselen, de wijsbegeerte een bezinksel in.
Het riool is het geweten der stad. Alles ontmoet en vergelijkt er zich. In dit vale oord zijn duisternissen, maar geen geheimen. Alles heeft er zijn wezenlijken vorm of ten minste zijn bepaalden vorm. De vuilnishoop heeft het voorrecht geen leugenaar te zijn. Daar heeft de oprechtheid de wijk genomen. Men vindt er het masker van Basilius, maar men ziet er het bordpapier, de koordjes, het binnenste en buitenste van, en het kenmerkt zich door eerlijk slijk. De valsche neus van Scapin ligt er naast. Al de onreinheden der beschaving, zoodra zij hebben uitgediend, vallen in dezen kuil der waarheid, waarin de groote maatschappelijke renbaan uitloopt. Zij worden er in verzwolgen, maar pralen er. Dit mengsel van alles is een belijdenis. Dààr is geen valsche schijn, geen bepleistering mogelijk, de vuilnis trekt haar hemd uit; de illusiën en het schijnbedrog vluchten, alles wat is, vertoont zich hier zooals het ten laatste zijn zal. Hier verraadt een gebroken flesch de dronkenschap, het hengsel van een mand verhaalt de dienstbaarheid; de beeldenaar van het koperen soustuk bedekt zich eerlijk met kopergroen; de louisd’or, die uit het speelhuis komt, raakt den spijker waaraan de strop van den zelfmoordenaar hangt; een ongeboren vrucht drijft er in het opgetooide balkleed, dat den vorigen vastenavond in de opera danste; de barret van een rechter ligt bij den half verganen rok van een meisje. Al wat zich blankette, vergaat hier. De laatste sluier is afgerukt. Een riool is een onbeschaamde. Het zegt alles. Deze oprechtheid der vuilnis doet ons genoegen en geeft de ziel rust. Wanneer men zijn leven heeft doorgebracht met op aarde het gezicht te verdragen der voorname houding, welke redenen van staat, de eed, de politieke wijsheid, de menschelijke gerechtigheid, de ambtelijke eerlijkheid, de gebiedende toestand, de onomkoopbare rechters aannemen, gevoelt men zich verlicht, wanneer men in een riool ziet welk slijk er toe behoort.
Het onderwijst tevens. Wij hebben aanstonds gezegd dat de geschiedenis door het riool gaat. De Bartholomeus-nachten sijpelen er dropswijze tusschen de straatsteenen door. De groote openbare moorden en staatkundige en godsdienstige bloedbaden, stroomen door dit onderaardsch gewelf der beschaving en stuwen er hun lijken in. Voor het oog van den denker zijn daar al de historische moordenaars in een afschuwelijk halflicht geknield, terwijl zij, met een punt van hun lijkwade tot voorschoot, treurig hun werk afwisschen. Lodewijk XI is er met Tristan. Frans I met Duprat, Karel IX met zijn moeder, Richelieu met Lodewijk XIII, Louvois, Letellier, Hébert en Maillard zijn er en krabben de steenen, trachtende het spoor hunner daden te doen verdwijnen. Men hoort onder deze gewelven den bezem dier schimmen. Men ademt er den stank der maatschappelijke beroerten. In de hoeken ziet men roode lichtweerkaatsingen. Daar stroomt een vreeselijk water, waarin zich bloedige handen hebben gewasschen.
De maatschappelijke opmerker moet deze duisternis binnengaan. Zij behoort tot zijn werkplaats. De wijsbegeerte is het microscoop der gedachte. Alles wil er voor vluchten, maar niets ontsnapt er aan. ’t Is nutteloos uitvluchten te zoeken. Welke zijde vertoont men, wanneer men uitvluchten zoekt? De zijde der schande. De wijsbegeerte vervolgt met haar eerlijk oog het kwaad en belet, dat het in ’t niet ontwijke. In de vernietiging der dingen welke verdwijnen, in de afneming der dingen die zich verwijderen, ziet zij alles. Zij stelt het purper weder uit de lompen samen, en de vrouw naar ’t overschot harer kleeding: uit het riool herbouwt zij de stad; uit het slijk doet zij de zeden weder te voorschijn komen. Naar den scherf vormt zij zich een denkbeeld van de amphora of de kruik. Aan het indruksel van een nagel op een perkament herkent zij het onderscheid tusschen het jodendom van de Judengasse en het jodendom van het ghetto. Zij hervindt in ’t geen geweest is, het goede, het kwade, het valsche, het ware, de bloedvlek van het paleis, de inktvlek van het hol, den vetdroppel van het huis van ontucht, de ondergane beproevingen, de gelukte verlokkingen, de uitgebraakte zwelgerijen; de plooi der karakters wanneer zij zich verlagen, het spoor der veilheid in zielen, wier grofheid haar daartoe geschikt maakte, en op het buis der lastdragers van Rome het indruksel van Messalina’s elleboog.