← Table of contents
De Ellendigen (Deel 5 van 5)

De modderwel.

Reading edition

Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.

In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulische werkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.

De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. ’t Was een moddergat in een nachtelijk hol.

Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in het slijk. ’t Was water van boven en modder van onder. Hij moest er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor ’t gewicht van één mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een lijk was.

Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.

Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om ’t water te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was tijd.

Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede tegen en op dat steunpunt. ’t Scheen hem als de eerste trede van een trap die naar het leven opsteeg.

Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere zijde van den slijkkuil.

Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een zonderlinge helderheid.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings