Terugkeer van den verloren zoon tot het leven.
Reading edition
Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.
Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.
Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.
Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.
Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.
Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.
Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:
„Woont hier iemand, die Gillenormand heet?”
„Ja. Wat wilt ge van hem?”
„Men brengt hem zijn zoon terug.”
„Zijn zoon?” zei de portier verstomd.
„Hij is dood.”
Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.
De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.
Javert hernam:
„Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier.”
„Naar de barricade!” riep de portier.
„Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken.”
De portier verroerde zich niet.
„Ga toch!” herhaalde Javert.
En hij voegde er bij:
„Morgen zal men hier een begrafenis hebben.”
Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, ’t geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.
De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.
Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.
De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.
Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.
„Inspecteur Javert,” zei Jean Valjean, „sta mij één ding toe.”
„Wat?” vroeg Javert ruw.
„Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt.”
Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:
„Koetsier, rue de l’Homme-Armé, nommer 7.”