Immortale jecur.
Reading edition
De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.
Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneer hij blind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in ’t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hem verlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!
Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!
Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.
Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.
Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?
De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.
Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.
’t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet. ’t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.
De vraag, welke zich voordeed, was deze:
Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.
Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.
Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die de onteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?
Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.
Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.
Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.
Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?
Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen—hij was gered, hij leefde!
Zoo hij losliet?
Dan de afgrond!
Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.
’t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.
Hij voelde zich tegengehouden.
Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?
Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?
Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!
Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelen levens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.
Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?
Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: ’t is genoeg!
De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?
De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?
O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!
Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?
Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. ’t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in ’t eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?
Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.
Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.
Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.
Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?
Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.
Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onder de zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;—toen zag men dat hij leefde.
Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?
De Men, die in de duisternis is.