Aantrekking en uitdooving.
Reading edition
Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in ’t zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat de l’Homme-Armé verliet, aan de zijde der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.
Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen hem en deze straat waren, welke hem scheen aan te trekken, vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was, alsof hij in ’t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich verwijderde werd zijn blik doffer.
Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat des Filles du Calvaire.
Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.
Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.
Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen liepen hem lachend na.