De duisterheden welke een openbaring kan bevatten.
Reading edition
Marius was geheel geschokt.
Thans was hem de soort van afkeer verklaard, dien hij steeds voor den man had gevoeld, naast wien hij Cosette zag. In dien persoon was iets raadselachtigs, waartegen zijn instinct hem waarschuwde. Dat raadsel was de afschuwelijkste aller schanden, het bagno. Deze mijnheer Fauchelevent was de galeiboef Jean Valjean.
Plotseling zulk een geheim te midden van zijn geluk te vinden, gelijkt de ontdekking van een scorpioen in een tortelduivennest.
Was voortaan het geluk van Marius en Cosette tot deze nabijheid gedoemd? Was ’t een uitgemaakte zaak. Sloot de voltrekking van het huwelijk de aanneming van dien man in? Was er niets meer tegen te doen?
Was Marius ook met den tuchteling getrouwd?
Men moge met licht en vreugd omkranst zijn, men moge het groote purperen oogenblik des levens smaken, de gelukkige liefde, zulke schokken zouden zelfs den aartsengel in zijn verrukking, den halfgod in zijn glorie doen sidderen.
Gelijk het immer bij dergelijke plotselinge veranderingen gebeurt, vroeg Marius zich af, of hij zich zelven niets te verwijten had? Had het hem aan doorzicht ontbroken? Was hij onvoorzichtig geweest? Had hij zich vrijwillig bedwelmd? Een weinig, misschien. Was hij, zonder zich genoegzaam omtrent de omstandigheden in te lichten, deze liefdesbetrekking aangegaan, welke zijn huwelijk met Cosette ten gevolge had? Hij erkende—en ’t is ten gevolge van een menigte dergelijke zelfbekentenissen, dat ons leven trapswijze gelouterd wordt—hij erkende het hersenschimmige en dwepende van zijn karakter, een soort van inwendige wolk, die aan veler natuur eigen is, en die bij den hoogsten graad van hartstochtelijkheid en smart zich uitzet, de temperatuur der ziel verandert en den mensch zoo geheel beheerscht, dat zij zijn zelfbewustzijn in een nevel hult. Wij hebben meer dan eens op dezen karaktertrek van Marius gewezen. Hij herinnerde zich, dat hij, in de dronkenschap zijner liefde, in de straat Plumet, gedurende deze zes of zeven verrukkelijke weken, zelfs Cosette van het drama in het oude huis Gorbeau niet gesproken had, waarbij het offer zulk een zonderlinge rol had gespeeld, door gedurende den strijd te zwijgen en later te vluchten. Hoe kwam het, dat hij er Cosette niet van had gesproken? ’t Lag echter zoo voor de hand en was zelfs zoo merkwaardig! Waarom had hij zelfs het gezin Thénardier niet genoemd, inzonderheid den dag toen hij Eponine had ontmoet? Hij had moeite zich thans zijn stilzwijgen van toen te verklaren. Evenwel gaf hij er zich rekenschap van. Hij herinnerde zich zijn bedwelming, zijn dronkenschap van Cosette, de liefde die alles verzwolg, deze opvoering van het een door het ander in het ideaal, en misschien ook—als de geringe mate van verstand in dien geweldigen en bekoorlijken zielstoestand vermengd—een onduidelijk, dof instinct om dit vreeselijk avontuur in zijn geheugen te verstikken, waarin hij niet gemengd wenschte te zijn, dewijl hij noch als verhaler noch als getuige kon optreden, zonder tevens beschuldiger te moeten worden. Overigens waren deze weinige weken als een weerlicht geweest; men had voor niets anders den tijd gehad dan om elkander te beminnen. Kortom, alles gewikt en gewogen, zou, indien hij aan Cosette de hinderlaag in het huis Gorbeau verhaald, haar de Thénardiers genoemd had, welke ook de gevolgen ervan waren geweest, zelfs indien hij ontdekt had dat Jean Valjean een tuchteling was, zou dit hem zelven, Marius, zou dit haar, Cosette, veranderd hebben? Zou hij teruggetreden zijn? Zou hij haar minder hebben bemind? Zou hij daarom met haar niet getrouwd zijn? Neen. Zou het iets veranderd hebben aan ’t geen gebeurd was? Neen. Hij had dus niets te betreuren, zich niets te verwijten. Alles was zoo goed. Er is een God voor die dronkaards, welke men verliefden noemt. Blind had Marius den weg betreden, dien hij ziende zou gekozen hebben. De liefde had hem geblinddoekt, om hem, waarheen? te voeren. Naar het Paradijs.
Maar dit paradijs grensde nu aan een hel.
De vroegere afkeer van Marius voor dezen man, voor dezen Fauchelevent, nu Jean Valjean geworden, was thans met afschuw gemengd.
Wij moeten evenwel zeggen, dat in dezen afschuw eenig medelijden, ja een zekere verwondering lag.
Deze dief, deze dief bij herhaling, had hem toevertrouwd geld teruggegeven. En hoeveel geld? Zesmaal honderd duizend francs. Het geheim hiervan was hem alleen bekend. Hij had alles kunnen behouden, maar had alles overgegeven.
Bovendien had hij uit zich zelven zijn toestand geopenbaard. Niets verplichtte er hem toe. Zoo men wist wie hij was, was ’t door hem zelven. In deze bekentenis lag meer dan de aanneming van deemoediging, er lag de onderwerping aan gevaar in. Voor een veroordeelde is een masker geen masker, ’t is een schuilplaats. Hij had van die schuilplaats afstand gedaan. Een valsche naam is een veiligheid; hij had dien valschen naam weggeworpen. Hij, galeiboef, kon zich voor altijd in een achtenswaardige familie verbergen; hij had aan deze verzoeking weerstand geboden. Om welke reden? Uit gewetensbezwaar. Hij had dit zelf verklaard, op den onwraakbaren toon der waarheid. Kortom, wie Valjean zijn mocht, ’t was onbetwistbaar een ontwakend geweten. ’t Was het begin eener geheime bekeering, en naar alle waarschijnlijkheid had het geweten zich reeds lang bij dezen man doen gelden. Zulke overgangen tot het goede en deugdzame zijn niet aan gewone naturen eigen. De ontwaking van het geweten is grootheid van ziel.
Jean Valjean was oprecht. Deze onzichtbare, tastbare, onwederlegbare, en zelfs door de smart, welke zij hem veroorzaakte, bewezen oprechtheid, maakte alle navorsching overbodig en gaf gezag aan al wat deze man zeide. Voor Marius ontstond hieruit een zonderlinge omkeer van beschouwing. Wat boezemde de heer Fauchelevent in? Wantrouwen. Wat verwekte Jean Valjean? Vertrouwen. In de geheimzinnige balans van dien Jean Valjean, welke Marius in zijn geest opmaakte, erkende hij het actief en het passief, en trachtte het saldo op te maken. Maar ’t was alles als in een storm. Marius poogde zich een juist denkbeeld van dien man te vormen en, om zoo te spreken, Jean Valjean in zijn gedachten vervolgende, verloor en hervond hij hem in een noodlottigen nevel.
Het eerlijk wedergegeven bewaarde geld, de trouwhartige bekentenis—dat was goed. Dit veroorzaakte als een lichtopening in een wolk, maar dadelijk werd de wolk weder donker.
Hoe verward zijn herinneringen waren, Marius zag er eenige schaduw van.
Wat was eigenlijk het avontuur in het verblijf van Jondrette? Waarom was deze man, Jean Valjean, bij de komst van de politie gevlucht, in plaats van zich te beklagen? Marius vond hierop het antwoord. Wijl deze man een tuchteling was, die zijn ban verbroken had.
Een andere vraag: Waarom was deze man in de barricade gekomen? Want nu vond Marius deze herinnering duidelijk weder, welke in zijn aandoeningen was te voorschijn gekomen als de sympathetische inkt bij het vuur. Deze man was in de barricade. Hij streed er niet. Wat was hij er komen doen? Voor deze vraag rees een spookbeeld op en beantwoordde ze. Marius herinnerde zich op dit oogenblik volkomen de sombere verschijning van Jean Valjean, die Javert gekneveld uit de barricade sleepte, en nog hoorde hij achter den hoek der kleine straat Mondétour het vreeselijk pistoolschot. Er bestond waarschijnlijk haat tusschen dien spion en dezen galeiboef. De een hinderde den ander. Jean Valjean was naar de barricade gegaan om zich te wreken. Hij was er laat gekomen, en wist vermoedelijk dat Javert er gevangen was. De corsicaansche vendette is tot sommige lage kringen doorgedrongen en geldt er als wet; zij is zoo natuurlijk voor die zielen, welke ten halve tot het goede zijn teruggekeerd; en deze zielen zijn zoodanig gestemd, dat een misdadiger, die op den weg van berouw is, gemoedsbezwaar kan hebben ten aanzien van diefstal, maar niet ten aanzien van wraak. Jean Valjean had Javert gedood. Dit scheen ten minste duidelijk.
Eindelijk de laatste vraag; maar op deze was niet te antwoorden. Marius voelde deze vraag als een nijptang. Hoe kwam het, dat Jean Valjeans leven zoo lang met dat van Cosette verbonden was geweest? Wat beteekende dit duister spel der Voorzienigheid, die dit kind met dien man in aanraking had gebracht? Zijn er dan ook hierboven tweemans-ketenen, en heeft God er behagen in, een engel en een duivel samen te koppelen? De misdaad en de onschuld kunnen dus slaapgenooten zijn in het geheimzinnig bagno der ellende? Kunnen in dien hollen weg, welke het menschelijk lot wordt genoemd, twee hoofden naast elkander gaan, het eene onschuldig, het andere vreeselijk, het eene blinkend van hemelsch morgenlicht, het andere voor immer bleek door het schijnsel van een eeuwigen bliksem? Wie had zulk een onverklaarbare samenkoppeling kunnen beschikken? Op welke wijze, ten gevolge van welk wonder, had dit gemeenschappelijk leven tusschen dit hemelsche meisje en dezen ouden doemeling kunnen ontstaan? Wie had het lam met den wolf kunnen vereenigen, en, wat onbegrijpelijker is, den wolf met het lam? Want de wolf beminde het lam, want het wreede wezen aanbad het zwakke wezen, want sedert negen jaren had de engel tot steun en beschermer het monster gehad. De kindsheid en de jeugd van Cosette, haar intrede in het leven, haar maagdelijke wasdom naar leven en licht, waren door deze monsterachtige vereeniging beschermd. Hier losten zich de vragen in tallooze raadsels op, afgronden openden zich in afgronden, en Marius kon zich niet meer tot Jean Valjean buigen zonder te duizelen. Wie was toch deze ondoorgrondelijke man?
De oude Scheppings-symbolen zijn eeuwig; in de menschelijke maatschappij, zooals zij thans bestaat, tot een grootere helderheid haar zal veranderen, zijn er altijd twee menschen, de eene verheven, de andere laag; de goede is Abel, de kwade is Kaïn. Wie was nu deze teedere Kaïn? Wie was deze bandiet, in heilige vereering eener maagd, over welke hij waakte, welke hij opvoedde, bewaarde, achtte en welke hij, onreine, in reinheid hulde. Wat was deze modderpoel, die deze onschuld zoodanig vereerde, dat er zelfs geen smet op kleefde? Wie was deze Jean Valjean die Cosette had opgevoed? Wat was deze gestalte uit de duisternis, die geen andere zorg had, dan eene opgaande star voor schaduw en wolken te behoeden?
Dit was Jean Valjeans geheim; dit was ook Gods geheim.
Voor dat dubbel geheim deinsde Marius terug. Het eene stelde hem eenigerwijs aangaande het andere gerust. God was in dit avontuur evenzeer zichtbaar als Jean Valjean. God heeft zijn werktuigen. Hij bedient zich van ’t geen hij wil. Hij is jegens den mensch niet verantwoordelijk. Kennen wij Gods wegen? Jean Valjean had aan Cosette gearbeid. Hij had haar ziel een weinig gevormd. ’t Was onbetwistbaar. En verder? ’t Was een leelijke werkman, maar het werk was bewonderenswaardig. God werkt zijn wonderen naar goedvinden. Hij had de bekoorlijke Cosette gevormd en daartoe Jean Valjean gebruikt. Het had hem behaagd den zonderlingen medewerker te kiezen. Welke rekenschap hebben wij van hem te vorderen? Is het de eerste keer, dat de mesthoop de lente helpt om een roos voort te brengen?
Marius gaf zich deze antwoorden, en verklaarde zich zelven, dat zij goed waren. Op al de punten, welke wij hebben aangewezen, had hij bij Jean Valjean niet durven aandringen, zonder zich zelven te bekennen, dat hij niet durfde. Hij beminde Cosette, hij bezat Cosette, Cosette was glanzend zuiver. Dat was hem genoeg. Welke ophelderingen had hij noodig? Cosette was een licht. Behoeft het licht verhelderd te worden? Hij had alles; wat kon hij nog meer wenschen? Alles, is dat niet genoeg? De persoonlijke zaken van Jean Valjean gingen hem niet aan. Terwijl hij zich over de noodlottige schaduw van dien man boog, klemde hij zich vast aan deze plechtige verklaring van den ellendeling: „Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Tien jaren geleden wist ik niet, dat zij bestond.”
Jean Valjean was een voorbijganger. Hij zelf had het gezegd. Welnu, hij ging voorbij. Wie hij zijn mocht, zijn rol was ten einde. Voortaan was het aan Marius, om de functiën der Voorzienigheid bij Cosette te vervullen. Cosette was tot hooger kring teruggekeerd, en had zich weder bij haarsgelijke, haar geliefde, haar echtgenoot gevoegd. In ’t opstijgen liet Cosette, gevleugeld en herschapen, omlaag haar ledig, leelijk hulsel, Jean Valjean, achter.
In welken gedachtenkring Marius zich draaide, immer kwam hij tot een zekeren afschuw voor Jean Valjean terug. Een misschien heiligen afschuw; wij hebben het immers aangewezen, dat hij in dien man een zeker quid divinum, iets goddelijks, gevoelde. Maar wat hij deed, en welke verlichting hij er in zocht, steeds moest hij hierop terugkomen: Jean Valjean was een galeiboef; dat wil zeggen het wezen, ’t welk op de maatschappelijke ladder zelfs geen plaats heeft, wijl het beneden den laagsten sport staat. Na den laatsten der menschen komt de galeiboef. De galeiboef behoort om zoo te spreken niet meer tot het menschelijk geslacht. De wet heeft hem al de menschelijkheid ontnomen, welke zij een mensch kan ontnemen. Marius hield zich, ten aanzien der strafwet, hoewel hij democraat was, nog aan het vaste stelsel, en nopens degenen, welke de wet straft, had hij al de ideeën der wet. Hij was, wij moeten ’t zeggen, nog niet geheel op de hoogte van den vooruitgang. Hij was zoo ver nog niet gekomen, onderscheid te zien tusschen ’t geen de mensch geschreven en wat God geschreven heeft, tusschen de wet en het recht. Hij had het recht nog niet gewikt en gewogen, ’t welk de mensch zich toeëigent om over het onherroepelijke en onherstelbare te beschikken. Het woord vindicte (rechterlijke wraak) had hem nog niet gebelgd. Hij vond het natuurlijk, dat sommige overtredingen der wet door eeuwigdurende straffen werden gevolgd, en hij nam het maatschappelijke doemvonnis als een beschavingsmiddel aan. Hij stond nog op dat punt, trouwens om later volkomen vooruit te gaan, daar zijn aard goed en in den grond voor den vooruitgang was.
Te midden dezer denkbeelden, verscheen Jean Valjean hem wanstaltig en afkeerwekkend. Hij was een veroordeelde, een galeiboef. Dit woord was hem als het bazuingeschal van den jongsten dag, en na lang Jean Valjean aanschouwd te hebben, was zijn laatste beweging het hoofd om te wenden. Vade retro. (Ga weg van mij!)
Marius, men moet het erkennen, en wij wijzen er zelfs op, had, terwijl hij Jean Valjean ondervroeg, en wel in dier voege dat Jean Valjean hem gezegd had: ge neemt mij in ’t verhoor, hem geen twee of drie beslissende vragen gedaan. Niet omdat zij niet bij hem waren opgekomen, maar omdat zij hem beangstigd hadden. Het verblijf van Jondrette? De barricade? Javert? Wie weet waar de openbaringen een einde hadden genomen? Jean Valjean scheen de man niet om achteruit te treden, en wie weet of Marius, na hem te hebben voortgedrongen, niet gewenscht zou hebben, hem tegen te houden! Is ’t ons allen wel niet in sommige gewichtige omstandigheden gebeurd, dat, als wij een vraag hebben gedaan, wij onze ooren stoppen om het antwoord niet te hooren? ’t Is vooral wanneer men bemint, dat men zoo lafhartig is. ’t Is niet verstandig, hardnekkig in heillooze omstandigheden te willen doordringen, vooral wanneer noodlottigerwijs de onoplosbare zijde van ons eigen leven er in gemengd is. Welk een vreeselijk licht kon uit Jean Valjeans wanhopige verklaringen opkomen, en wie weet of dit afschuwelijk licht niet op Cosette zou zijn teruggekaatst? Wie weet of er niet een soort van helschen weerschijn op ’t voorhoofd van dien engel zou zijn overgebleven? De van een bliksem spattende vonken zijn ook bliksems. Het noodlot wil soms, dat de onschuld zelve het merkteeken der misdaad verkrijgt, door de sombere wet der lichtweerkaatsing. De zuiverste gedaanten kunnen voor altijd den weerschijn van een vreeselijke nabuurschap behouden. Terecht of ten onrechte, Marius was bevreesd geweest. Hij wist reeds te veel. Hij poogde zich meer te bedwelmen dan in te lichten. Radeloos droeg hij Cosette in zijn armen weg, terwijl hij voor Jean Valjean de oogen sloot.
Deze man behoorde tot den nacht, tot den levenden, vreeselijken nacht. Hoe zou men er den bodem van durven zoeken? ’t Is ontzettend, de duisternis te ondervragen. Wie weet wat zij zal antwoorden? De dageraad zou er voor altijd verdonkerd door kunnen worden.
In dien gemoedstoestand, was het voor Marius een pijnlijke verlegenheid te denken, dat deze man voortaan in eenige aanraking met Cosette zou zijn. Hij verweet zich thans schier, deze vreeselijke vragen niet gedaan te hebben, voor welke hij was teruggedeinsd en waaruit een onveranderlijke en bepaalde zekerheid had kunnen ontstaan. Hij gevoelde zich te goed, te zacht, laat het ons zeggen, te zwak. Deze zwakheid had hem tot een onvoorzichtige toegevendheid verleid. Hij had zich laten bewegen. Hij had ongelijk gehad. Hij had eenvoudig Jean Valjean moeten verwerpen. Jean Valjean behoorde tot het vuur; hij had hem er aan moeten wedergeven en zijn huis van dien man bevrijden. Hij was op zich zelven vertoornd, vertoornd op dien maalstroom van aandoeningen, welke hem verdoofd, verblind en medegesleept had. Hij was over zich zelven ontevreden.
Wat nu te doen? Van de bezoeken van Jean Valjean was hij diep afkeerig. Waartoe diende die man in zijn huis? Wat te doen? Hier bedwelmde hij zich, hij wilde niet dieper graven, niet doorgronden; hij wilde zich zelven niet peilen. Hij had beloofd, hij had zich tot beloven laten verleiden; Jean Valjean had zijn belofte; zelfs jegens een galeiboef, vooral jegens een galeiboef, moet men woord houden. Zijn eerste plicht evenwel gold Cosette. Kortom, een allesbeheerschende afkeer bracht hem in beroering.
Al deze gedachten woelden verward in den geest van Marius, die, van de eene na de andere, door alle bewogen werd. Vandaar een groote verwarring, welke hem niet gemakkelijk viel voor Cosette te verbergen. Maar de liefde is een talent, en ’t gelukte Marius.
Overigens deed hij, zonder schijnbaar doel, vragen aan Cosette, die even onschuldig was als een duif, en niets vermoedde; hij sprak haar van haar kindsheid en jeugd; en meer en meer overtuigde hij zich, dat deze galeiboef zoo goed, vaderlijk en eerbiedwaardig voor Cosette was geweest als een mensch zijn kan. Al wat Marius verondersteld en vermoed had, was waar. Deze heillooze distel had deze lelie bemind en beschermd.