Een pen is zwaar voor dengene die de kar van Fauchelevent oplichtte.
Reading edition
Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder ’t kleeden eenige keeren rusten: alleen door ’t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op ’t gezicht.
Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.
Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.
Hij spreidde ze uit op zijn bed.
De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel ’t nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. ’t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; ’t was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, ’t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.
Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers, welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.
De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.
Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.
Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.
Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.
Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen ’t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:
„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars en lampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”
Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.
„Ach!” riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), „’t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. ’t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! ’t Is niets te sterven; maar ’t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, ’t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien.”
In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.