Andere schreden achterwaarts.
Reading edition
Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.
Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar mogelijk ware.
’t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.
De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.
Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius’ woorden anders dan letterlijk op te vatten.
Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: „Mijnheer is altijd zóó geweest.” De grootvader besloot: „’t Is een zonderling.” Daarmede was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,—vader Gillenormand wenschte niets liever, dan van „dien mijnheer” verschoond te blijven. Hij zeide: „Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die lieden hebben allerlei phantastische grillen.”
Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, die op den bodem kruipt.
Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. ’t Is weinig, maar vreeselijk. ’t Is de ademhaling van het onbekende dier.
Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich niet in ’t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig te leven, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan—al deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.
Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de grootste bezigheid van haar leven. ’t Was voor hen steeds een nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, zonder zich te verbergen, voor ’t oog der wereld, beiden alleen uit te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;—de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;—zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.
Toen de gemeenzaamheid in ’t gesprek verdwenen was, en „mevrouw,” en „mijnheer Jean” er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: „Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn.”
Hij woonde nog altijd in de straat de l’Homme-Armé, er niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.
In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en verwijderde zich dan.
Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.
Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord „vader.”
Een straal van blijdschap schoot over ’t oude somber gezicht van Jean Valjean. Hij berispte haar:
„Zeg Jean.”
„Ha! ’t is waar,” antwoordde zij luid lachend, „mijnheer Jean.”
„Goed zoo!” zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.