De vervolgde man.
Reading edition
Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig waargenomen en niet in ’t minst verzuimd. Onder den aanvang eener onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.
’t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.
Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, elkander in ’t oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte te naderen.
’t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van zijn tegenpartij te zullen versnellen.
’t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.
De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn handelingen zijn.
De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.
De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers, zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen te zien.
Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.
De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter bij zag.
Welk doel had de laatste?
Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.
Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In ’t blauw gekleed te zijn is eervol; in ’t rood is het heel onaangenaam.
Er is een purper in de laagte.
’t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.
Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door den gluipenden havelooze, die voorging.
Het huurrijtuig reed langs de boomen der Champs-Elysées. Men zag boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de hand uitkomen.
Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval dit artikel: „Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik te hebben.”
Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is sinds wegens de „welstandigheid” weggeruimd. De paarden smachten nu wel van dorst, maar ’t gezicht heeft gewonnen.
’t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen, een plaats die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.
Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.
Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg op den oever langs de kade voort.
Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.
Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?
Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, en het gezag op zijn hielen.
’t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, ’t welk van een of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.
De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.
De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.
Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was er niet meer.
De man in den kiel was geheel verdwenen.
De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.
De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was van hem geworden?
De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine uitstortte.
Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort van gewelfde donkere gang.
De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.
Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij schudde het, maar het stond stevig vast. ’t Was waarschijnlijk, dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, ’t geen zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt hebben.
Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te openen, ’t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:
„’t Is sterk! een regeeringssleutel!”
Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:
„Wel! wel! wel! wel!”
Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.
Zijnerzijds had het huurrijtuig, ’t welk zich naar al zijn bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.